Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

Böetingse les

Böetingse les

Cursus Buitings

n aflevering 3 gaan we verder met het kijken naar taalverschijnselen in het Böetings.  Hier gaan we het hebben over: rekking, de ontwikkeling van de Oudgermaanse o/a + l + d/t, de wispelturige “r” en gevallen waarin het Böetings Umlaut kent.

We beginnen met “rekking”.  Hiermee bedoelt men het “rekken” van korte klinkers.  “In het Standaardnederlands zijn de korte klinkers in gesloten lettergreep doorgaans kort gebleven, bijv. dag, dak, blad, weg, schip, slot enz.; in open lettergreep hebben ze zich ontwikkeld tot een lange klinker (dagen, daken, bladen, wegen, schepen, sloten).  Bij de bijvoeglijke naamwoorden was er in het Middelnederlands een gelijkaardige tegenstelling tussen de korte klinker in onverbogen vorm (bijv. lam, smal, zat) en een lange klinker in verbogen vorm (*lame, *smale,*zate), maar nadien heeft die lange klinker in open lettergreep zich in het Nederlands aangepast aan de korte klinker in gesloten lettergreep (lamme, smalle, zatte).  In de meeste Limburgse dialecten heeft echter de omgekeerde ontwikkeling plaatsgevonden: daar heeft de lange klinker uit de open lettergreep zich in heel wat woorden ook doorgezet in gesloten lettergreep.  Men spreekt er dus van daag (dag), daak (dak), blaad (blad), weeg (weg), scheep (schip), sloot (slot), laam (lam), smaal (smal), zaat (zat) en varianten.” (R. Keulen “Enkele isoglossen rondom Beringen” 2011). 

In deze aflevering kijken we nog eens naar de reeds in andere afleveringen aan bod gekomen Getelijn en Betoningslijn. Deze twee isoglossen zijn van belang om het Böetings binnen het Limburgs (tussen Uerdingerlijn, Benratherlijn en taalgrens) in te delen. De positie die het Böetings inneemt t.o.v. deze twee isoglossen is ook bepalend voor hoe een aantal woorden klinken of wat de vorm

van een aantal woorden is. We beginnen met de Getelijn. Deze isoglosse volgt min of meer (in het noorden minder) het verloop van de oude grens tussen het hertogdom Brabant en het graafschap Loon (Prinsbisdom Luik). Aan de hand van 40 woorden stelden J.L. Pauwels en L. Morren in 1960 een 26 tal klankgrenzen/woordgrenzen vast. Voor het noorden is de studie uit 1960 echter minder betrouwbaar (zie R. Keulen: “Enkele isoglossen rondom Beringen”, 2011). In 1958 legt L. Morren Beringen en Paal nog aan de oostkant van de

Getelijn. Twee jaar later in 1960 in hun gezamelijke studie, leggen J.L. Pauwels en L. Morren Beringen en Paal ten westen van de Getelijn (R. Keulen 2011).

Zuster Merie-Lewies werkde as verpleegster vur töeszörg en ze war 's oaves hurre ronde nog an 't dóun, vur zikke mienskes te swanjere, tóun ze  toch wel zonner naft véil zeker.
Ze vloekde dat  't 'n oarighed war,  mèr tóun zag ze op 'n poar honnerd meter 't beeld van 'n naftpomp durre böeste wiebere.
 Zè in iene spurt doahinne."    Menie'er," zee ze "hidder mich astebléift gie bedonneke naft? 
"Zusterke, ge hit verdoemme pech, doa'e es t'r just ienne da bedonneke kome hoale, mer as ge ö bietske wilt wochte , hè komt drek trug, ich zal óch tèèterwail 'n goi zjat kaffie gève"".
" Merci," zee ze, "mèr ich hem nog nen hoe'ep werk,  geft mich die'e pipipot doa'e mèr mee,  as ge die'e vol kunt dóun vur mich, kan ich mennen tóu'er nog voets afwerke."
 Zèè mee die'e piespot, góu vol, verziechtig trug no den oto. Ze goot da verziechtig inne tank...stön doa'e toch wel twie'e moslims anne bushalt da af te lóu'ere. Zit die'en ienne tege den oanere   :" As die doa'e mee kan vertrekke, dan wèèr ich oppe slag katteléik ! "

Er is meer aandacht voor onze dialecten/streektalen en dat is een goede zaak. Dit onroerende erfgoed is kwetsbaar zonder beschermend kader van de overheid. Het zou goed zijn mocht taal en cultuur de bevoegdheid van onze provincie zijn, maar we zijn als het ware overgeleverd aan vreemde heersers op dat vlak en die hebben weinig tot geen interesse voor Limburgse cultuur en taal. Tenzij ze er even populair mee kunnen doen, om stemmen te ronselen? Het meer onder de aandacht brengen van onze dialecten/streektalen zal de achteruitgang ervan niet stoppen, als er niet opnieuw meer “plat geklapt” wordt.

De benaming “plat” heeft niks te maken met “platvloers” of onbeschoft.  Het is gewoon een benaming voor de varianten van de Germaanse streektalen in de lage/vlakkere/plattere delen van noordwest Europa.  Het Duits heeft het Hoogduits dat uit het zuidelijk deel van Duitsland stamt, het hoge deel met veel bergen.  Het Platduits komt van de lagere “platte” delen in het noordelijk deel van Duitsland.

20 november 2022

Dialectmis: de preek

Oorlog en vrede

No 77 joar doechte we da we noe’et gienen oorlog nemie’e moeste meemake.

En toch…

Al motte we dan néi zelf goñ vechte, toch vùile we allemoal de gevolge.

Iniens wère we wakker öt ne sloap.

“Dó komt ne moei’eleken tèèd op os af”, zenge de polletiekers.

“We goñ allemoal trug ö bietske ermer wère”, zenge gelierde miense.

 

In Nederland noemen ze het fenomeen een hooiduivel en ook in dialecten ten westen van ons is het dialectwoord een variant op een 'varende vrouw', waarbij varen nog de vroegere algemene betekenis had van zich voortbewegen. Een heks op haar bezem dus. In veel dialecten is dat zelfs een 'barende vrouw' geworden, een verspringing van de v/b is wellicht de oorzaak. In sommige Waalse dialecten noemen ze het 'une dame du vent', wat in aangrenzende Vlaamse dialecten dan 'vrouwvente' is geworden. Rare jongens, die wervelwinden.
Het Buitings sluit zich aan bij de meerderheid van de Limburgse dialecten, die

lees verder: les 10

 

In de vorige les kreeg de ezel van Pietermenneke al kromme zinnen: ter hoogte van het station van Schaffen weigert hij verdere dienst ... Is hij echt kreupel ? Of erger nog, overezeld door liefdesverdriet ? Voor Pietermenneke zit er niets anders op dan zijn ezel op de kar te laden en de kar met ezel en al zélf naar huis te trekken. Hij moet snel ondervinden dat dit een hels karwei is ... en dan moet de verrassing nog komen. De Zwarte Ring, halverwege Diest en Paal is een dankbare halte voor al wat paard is, voerman of zwarte tram. Daar ziet het Pietermenneke dan ook zwart voor de ogen!

Vandaag, St.-Baar ! De feestdag voor de mijnwerkers-brancardiers verloopt enigszins in mineur, zeker nu ze dit jaar hun 70-jarig bestaan vieren. De feestelijkheden zijn namelijk afgelast om de bekende redenen.
Daar willen wij iets tegenover stellen, paalonline staat pal in de coronastorm. Wij brengen hulde aan de laatste generatie mijnwerkers onder ons en aan al de voorgaande, en vooral aan hen die het leven lieten in de mijn.
Om onze mijnwerkers te gedenken hebben we een oude reportage van onder het stof gehaald die het leven in de mijn van Beringen documenteert ten tijde van het ontstaan van de Mijnwerkers-Brancardiers, een zwart-wit film uit 1948, destijds gedraaid door de cinematografische dienst van het leger. De oorspronkelijk franstalige commentaar zorgde er wellicht voor dat deze film haast uitsluitend door franstaligen bekeken werd en hier bij ons relatief onbekend bleef, spijtig, want hij was toch in de mijn van Beringen opgenomen. We hebben daarom voor een nederlandstalige ondertiteling gezorgd en vooral: voor een commentaar in ons dialect. (lees verder)

In de vorige les zagen we dat onze ezel zich in een zielig parket heeft gewurmd: zijn grote liefde keert hem de rug toe. Overwelmd door liefdesverdriet ligt hij met een gebroken hart en versleten knieën voor het station van Schoonaarde, Schaffen. Dat had Pietermenneke niet verwacht: zijn lastdier wordt een lastpost ! Maar daar bestaan creatieve oplossingen voor ...


Ook de ezel van Pietermenneke blijft niet gespaard van het leed des levens, hij heeft ldvd.
De lange lijdensweg van Diest naar Paal loopt over Schoonaarde, een gehucht van Schaffen, waar nu nog de spoorlijn loopt,

Pagina 1 van 2