woordenschat:
Kèèr (zn,v):
Kar , het initiatief nemen: "de kèèr trekke" - De oudste moet het voortouw nemen: " Den oadste mot de kèèr trekke."
; mee op de kar springen, opportunistisch iemands partij kiezen (kaartspel) : " Ich war mee oppe kèèr gesprónge" ;
ze zijn tegen mijn kar gereden (iemand schofferen, iemand iets in de weg leggen: "Ze hemme tegen m'n kèèr gereen."
Hij stond met verstomming, hij stond paf. "Tóun véil 'm vanne kèèr af."
Vent (zn,m): flinke man, ook: gecastreerde ezel (Vlaanderen, in Nederland: 'oen')
Boezjére (werkw):
Bewegen
Pèèp (zn,v):
Pijp (vkw. pepke) - Het opgeven: "De pèèp an Mette gève". 
Strank (zn,m):
Ruggengraat
Kes (zn,v):
Kaars ( vk. "keske" : kaarsje )
Kring (zn,v):
Dikke koord (zeel) met een oog eraan, om de koe vast te leggen
Garie'el (zn,o):
Koord, riem om paard te sturen, paardentuig