Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

15 juli 2024

Dialect spreken / Böetings klappe: aflevering 2

In deze aflevering kijken we nog eens naar de reeds in andere afleveringen aan bod gekomen Getelijn en Betoningslijn. Deze twee isoglossen zijn van belang om het Böetings binnen het Limburgs (tussen Uerdingerlijn, Benratherlijn en taalgrens) in te delen. De positie die het Böetings inneemt t.o.v. deze twee isoglossen is ook bepalend voor hoe een aantal woorden klinken of wat de vorm

van een aantal woorden is. We beginnen met de Getelijn. Deze isoglosse volgt min of meer (in het noorden minder) het verloop van de oude grens tussen het hertogdom Brabant en het graafschap Loon (Prinsbisdom Luik). Aan de hand van 40 woorden stelden J.L. Pauwels en L. Morren in 1960 een 26 tal klankgrenzen/woordgrenzen vast. Voor het noorden is de studie uit 1960 echter minder betrouwbaar (zie R. Keulen: “Enkele isoglossen rondom Beringen”, 2011). In 1958 legt L. Morren Beringen en Paal nog aan de oostkant van de

Getelijn. Twee jaar later in 1960 in hun gezamelijke studie, leggen J.L. Pauwels en L. Morren Beringen en Paal ten westen van de Getelijn (R. Keulen 2011).

Voor enkele woorden had ik toch twijfels bij de vormen die de studie uit 1960 aan Beringen en Paal toekent. Na controle door de taalcommissie van paalonline en a.h.v. enkele andere bronnen is gebleken dat de methode van J.L. Pauwels en L. Morren uit 1960 volgend, Beringen, Paal en Tervant ten oosten van de Getelijn liggen, ook al is het maar met een beetje overschot. Voor enkele opvallende oostelijke (Limburgse) vormen hebben Beringen, Paal en Tervant juist deze oostelijke vormen. Van de plaatsen gelegen tegen de Getelijn zijn er maar enkele die voor 100% met de ene of de andere kant meedoen. Beringen doet 22x mee met het oosten, 15 (of 16)x met het westen en heeft 3 (of 2)x een andere vorm. Paal en Tervant doen 20x mee met het oosten, 17 (of 18) keer

met het westen en hebben 3 (of 2) keer een ander woord. Het is van belang de Limburgse/oostelijke vormen te bewaren omdat deze vormen steeds onder druk staan van het Nederlands en variabele Nederlands/Brabants georiënteerde tussentaaltjes. Deze tussentaaltjes zijn niet bevorderlijk voor het dialect en ook niet voor een correct Nederlands. Het zijn exact wat de naam zegt:  “tussentaaltjes”,

geen dialect en ook geen Nederlands. Het vervangen van Limburgse/oostelijke eigenschappen in de Limburgse dialecten door westelijke eigenschappen (uit het Brabants en/of Nederlands) is in principe altijd taalverlies.

beringerlands1Het  overnemen/vervangen van dialectwoorden door vreemde woorden of niet regionale vormen is dus niet zo onschuldig. In het westen van het Limburgse taalgebied is er invloed van het Brabants waardoor er westelijke en oostelijke invloeden elkaar overlappen. De westelijke invloeden nemen gradueel af naar het oosten toe in het Limburgse taalgebied. Deze wisselwerking van Brabantse en Limburgse eigenschappen/vormen zien we ook in het Böetings voor wat betreft de Getelijn en de Betoningslijn (zie ook de afleveringen over beide isoglossen). Om Böetings te spreken is het natuurlijk belangrijk om te weten wat het Böetings aan oostelijke en westelijke vormen heeft verbonden aan de Getelijn. Westelijke vormen voor de woorden verbonden aan de Getelijn heeft

het Böetings voor: “erwt, staart, kaars, hart, zwart, martelen, smid, merel, voorts, helpen, sneeuw, gans, boter, dertig, naald, perzik en uur”. De vormen in het Böetings zijn; “et” (zonder “r”), “kès”, “hèt”, “zwet”, “mètelle” (ten oosten is de “e” een “a” of “aa”, vb.:“hat” of “hart”, “mattele”,...), “smèd” (in het oosten treedt hier rekking op: “smeed” maar het Böetings kent zeker ook rekking in andere woorden), “mè’el” (oostelijk: “merel”, “melder”, “meloon”, “bloon”,... doch in het noorden van de Oostkantons ook “meël”), “voets” (oostelijk: “vórt”, “vots”,... met “o” klank i.p.v. “oe”), “höllepe” (oostelijk “hellepe”), “snie’ef” (oostelijk “snau” varianten), “gans” (oostelijk “gaas”), “boter” (oostelijk “boitter”), “dettig” (oostelijk “dattig” of “dartig” met “a”), “nöl” (oostelijk “noeël”, “noal”,..., lange klank), “pie’es” (oosten: “piersel”, “pieëtsel”,... , 2 lettergrepen), “ùi’er” (oosten: “oêr”, “oe”-klank i.p.v. “uu”).

Het Böetings gebruikt zoals ook een aantal andere plaatsen in de regio een aantal andere varianten voor woorden die J.L. Pauwels en L. Morren verbinden aan de Getelijn. Voor “werpen” staat dit ook in de studie uit 1960 vermeld, maar ook voor schotel en vrouw zijn er oorspronkelijk andere woorden. In de plaats van “werpen” zegt een regio in het noorden aan de Getelijn “gooien” (varianten).

Zo ook het Böetings. Voor “schotel” zegt men eerder “telluur” in het Böetings. Ook “plateau” is een vorm voor schotel die in de regio voorkomt. Vaak denk men dat “wèèf” een negatief woord is voor vrouw maar dat is het niet. Voor “vrouw” is de oorspronkelijke dialectvorm “wèèf”. Naast “wèèf” is er ook “vrómmes”. De oorspronkelijke vormen voor “vrouw-vrouwen-vrouwtje” zijn “wèèf-wèver-wöfke”. Oostelijke vormen heeft het Böetings voor de woorden: “beitel”, “heide”, “klein”, “delen”, “geit”, “weide”, “draaien”, “zaaien”, “maaien”, “koorts”, “wortel”, “borstel”, “kort”, “borst”, “eieren”, “lam”, trouw”, “grauw”, “soort”, “houden”. De vormen voor het Böetings zijn: “bètel”, “hèè”, “klèèn”, “dèle”, “gèèt”, “wèè” (oosten zachte “êê” tot “ee”, westen scherpe “êê” tot “aa”), “drèèn”, “zèèn”, “mèèn” (westelijke vormen: “droaje”, “zoaje”, “moaje”), “kors”, “wortel”, “borsel”, “kort”, “borst” (westelijke vormen hebben een “ö” en de “r” valt er al dan niet weg: “köt”, “wöttel”,...), “èèr” (ten westen met uitgang:

“are”, “êre”, “ajer”), “loam” (ten westen kort: “lam”), “trow” (ten westen vormen zonder “w”: “traa”, “troo”,...), “grèès”/”groo” (westelijke vorm: “graat”, “groot”,...), “soort” (westelijke vorm zonder “r”: “soot”, “soowt”,...), “hoon” (westelijk: “have”, “hawe”,...).

Om Boëtings te spreken is het van belang te weten voor welke vormen het Böetings meedoet met het westen en voor welke met het oosten. Vaak hoor je in grotere delen van Noordwest-Limburg die

binnen het Limburgse taalgebied vallen vormen die niet thuis horen in het plaatselijke dialect. In plaatsen ten oosten van de Getelijn hoor je soms een westelijke vormen als “draoje” i.p.v. de juiste vorm “drèèn”... Dit type fouten zijn schadelijk voor het dialect en een verlies van oostelijke vormen, wat taalverlies is en een opschuiven naar tussentaaltjes... De 40 woorden verbonden aan de Getelijn zijn ook geen volledige woordenlijst maar voorbeelden van verschillen tussen west en oost.  Zo kan bv. ook “toaj” (west) tegenover “tèè” (oost) tegenstelling voor “taai” als voorbeeld dienen....

De tweede isoglosse die in dit stuk aan bod komt is de Betoningslijn. Deze isoglosse vormt de grens tussen plaatsen waar stoottonen en sleeptonen voorkomen en waar niet (meer). Binnen het Limburgse taalgebied in ruimste zin komt functionele betoning niet meer voor in het Getelands, Heidelands, Truierlands en het Beringerlands. Variërend van plaats tot plaats binnen regio’s kan je nog restanten van betoning horen en komen er vormen/klanken voor die uit een eerder voorkomen van betoning zijn voortgekomen. Dit is ook voor het Böetings het geval. In het artikel van Ronny Keulen “Enkele isoglossen rondom Beringen” (2011) lezen we: “Ook in Paal moet een dergelijke oppositie wel degelijk ooit bestaan hebben aangezien sommige klankverschillen enkel te verklaren zijn vanuit een vroegere toonoppositie. Zo hebben woorden met een klankwettige sleeptoon die teruggaan op een West-Germaanse î zich in Paal ontwikkeld tot [e:], die met klankwettige stoottoon tot [aḭ], vgl. bijv. [be:tɘ] “bijten”, [pe:p] “pijp”, [re:k] “rijk” enz. tegenover [paḭn] “pijn”, [vraḭ] “vrij”, [draḭ] “drie” (Van Tilborgh 1942 : 33). Hetzelfde geldt voor representanten van de West-Germaanse û, die zich in Paal ontwikkeld hebben tot een lange monoftong in klankwettig sleeptonige woorden, vgl. bijv. [brœ:n] “bruin”, [hœ:s] “huis”, [slœ:tɘ] “sluiten” enz. tegenover [daḭf] “duif”, [draḭf] “druif”, [plaḭm] “pluim”, [laḭe] “luiden” enz. (Van Tilborgh 1942 : 34)”.

Zoals in een eerder artikel reeds gezegd werd kan betoning het verschil tussen enkelvoud en meervoud aangeven maar ook verschil in betekenis van op het eerste gezicht dezelfde woorden. Voor Paal en Tervant zijn bijvoorbeeld de vormen voor het meervoud en enkelvoud van “koe” en “kool” (groente) van het type die kunnen wijzen op eerdere betoning. Voor “koeien” en “koe” is het “kói” en “kói” en voor “kolen” en “kool” (groente) is het “kú’el” en “kú’el”. Zo zullen er nog wel voorbeelden zijn in het Böetings. Het is ook van belang deze vormen juist uit te spreken en er bij het meervoud geen uitgang achter te zetten (voor de gevallen waar het Böetings enk. en mv. van dit type kent). In Koersel en Stal is bijvoorbeeld het toonverschil duidelijk te horen tussen het meervoud en enkelvoud bij o.a.: “kolen” en “kool”, “stenen” en “steen”, “benen” en “been”,... Het meervoud is er “kúl” (stoottoon) en het enkelvoud “kúël), “stien” en “stie-n”, “bien” en “bie-n”,... Verschil in woordbetekenis is er in Koersel en Stal

bijvoorbeeld bij “hèè” obbe “hèè-“ (hier op de heide), “schoen schoe-wn” (mooie/schone schoenen). In het Böetings is het “héi obbe hèè” en “skoe’en skóun”. Ook al is in het Böetings het verschil in woord duidelijk, “skóun” (schoenen) is een Limburgse meervoudsvorm. En “hèè” (voor Koersel en Stal “hèè-“ geschreven) klinkt in het Böetings hetzelfde als enkele plaatsen in de buurt die binnen het betoningsgebied vallen. Er moeten ook hier voorbeelden te vinden zijn waar er duidelijk resten van betoning zijn. Ook de restanten en klankontwikkelingen in het Böetings die het gevolg zijn van het er ooit voorkomen van betoning zijn van belang om Böetings te spreken. In de eerste twee delen van “Dialect spreken” zijn er een al een aantal voorname dingen naar voor gekomen voor het Böetings.

De Uerdingerlijn is hier heel duidelijk en de vormen eraan verbonden zijn gemakkelijk te leren en een eerste stap naar Böetings spreken (en Limburgs in het algemeen). Voor de Getelijn is het eigenlijk ook niet zo moeilijk. Het Böetings heeft voor het merendeel oostelijke (Limburgse) vormen, enkele andere vormen en een deel Brabantse vormen. Het is gewoon een kwestie van de juiste vormen verbonden aan de Getelijn (en verdere woorden die dezelfde klankevolutie ondergaan hebben) te gebruiken in het Böetings, westelijke waar het Böetings westelijke vormen heeft, andere vormen waar de vormen afwijken van deze uit de studie van 1960 en de oostelijke vormen waar de vormen in het Böetings oostelijk zijn. De betoningslijn is wat anders. Er zijn duidelijk sporen dat betoning in het verleden in het Böetings voorkwam. Die zijn ook te horen en in bepaalde gevallen is er ook een duidelijke lijn in te trekken (zie boven de klankontwikkelingen beschreven bij R. Keulen 2011). Voor andere zaken is

er op het eerste gezicht een willekeur. In nog andere gevallen is er geen verschil tussen meervoud en enkelvoud te horen. De vormen van dit type zijn samen met een aantal klankontwikkelingen (R. Keulen 2011) eigenlijk ook niet zo moeilijk als men weet voor welke woorden het enkelvoud en meervoud hetzelfde klinkt. Een lijst met woorden waarbij meervoud en enkelvoud hetzelfde klinken zou ook een goed hulpmiddel zijn om Böetings te leren spreken.

Om Böetings te leren is het goed van in het begin de juiste vormen aan te leren, zo wordt vermeden dat er foute vormen die soms in een dialect binnensluipen aangeleerd worden... Afleren is vaak moeilijker dan iets juist aanleren.

R. Vanesch.

Lees 324 keer
Log in om reacties te plaatsen