Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

13 september 2024

Dialect spreken / Böetings klappe: aflevering 3

n aflevering 3 gaan we verder met het kijken naar taalverschijnselen in het Böetings.  Hier gaan we het hebben over: rekking, de ontwikkeling van de Oudgermaanse o/a + l + d/t, de wispelturige “r” en gevallen waarin het Böetings Umlaut kent.

We beginnen met “rekking”.  Hiermee bedoelt men het “rekken” van korte klinkers.  “In het Standaardnederlands zijn de korte klinkers in gesloten lettergreep doorgaans kort gebleven, bijv. dag, dak, blad, weg, schip, slot enz.; in open lettergreep hebben ze zich ontwikkeld tot een lange klinker (dagen, daken, bladen, wegen, schepen, sloten).  Bij de bijvoeglijke naamwoorden was er in het Middelnederlands een gelijkaardige tegenstelling tussen de korte klinker in onverbogen vorm (bijv. lam, smal, zat) en een lange klinker in verbogen vorm (*lame, *smale,*zate), maar nadien heeft die lange klinker in open lettergreep zich in het Nederlands aangepast aan de korte klinker in gesloten lettergreep (lamme, smalle, zatte).  In de meeste Limburgse dialecten heeft echter de omgekeerde ontwikkeling plaatsgevonden: daar heeft de lange klinker uit de open lettergreep zich in heel wat woorden ook doorgezet in gesloten lettergreep.  Men spreekt er dus van daag (dag), daak (dak), blaad (blad), weeg (weg), scheep (schip), sloot (slot), laam (lam), smaal (smal), zaat (zat) en varianten.” (R. Keulen “Enkele isoglossen rondom Beringen” 2011). 

“Rekking in open lettergreep komt niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Duits voor.  Waar in het Nederlands de wisseling kort in gesloten lettergreep – lang in open lettergreep vaak bewaard gebleven is (bijvoorbeeld: dag – dagen), is die in het Duits door zogenoemde ‘analoge’ rekking in de regel verloren gegaan: naar analogie met de klankwettige rekking in open lettergreep werden ook de korte klinkers in gesloten lettergreep verlengd, zodat het meervoud ‘Tage’ (met klankwettige gerekte ‘aa’) in lengte niet meer te onderscheiden valt van het enkelvoud ‘Tag’ (met analogisch gerekte ‘aa’) of ‘Wege’ niet meer van ‘Weg’ (beide met lange ‘ee’), maar wel van het ervan afgeleide bijwoord ‘weg’ -weg, verdwenen (met korte ‘e’).  Dat laatste had geen partner met ‘ee’ in open lettergreep waarnaar het zich kon richten en heeft zijn oorspronkelijke korte klinker bewaard.  De meeste Limburgse dialecten hebben net zoals het Duits (Tag, Tage) en anders dan in het Nederlands (dag, dagen) analoge rekking van korte klinker in gesloten lettergreep, bijvoorbeeld Hasselt ‘daag’ (dag) met sleeptoon – ‘daag’ (dagen) met stoottoon.  In Haspengouw is de gerekte ‘aa’ verdonkerd ‘ao’ (Tongers ‘daog’ – dag/dagen).  Het verschil tussen Maastrichts ‘daag’ (dag) en ‘daog’ (dagen) is toe te schrijven aan een latere ontwikkeling van de meervoudsvorm met stoottoon. (Luk Draye “Enkele klank- en vormkenmerken van de Limburgse dialecten” in “Riek van klank” 2007).

Men ging/gaat ervan uit dat er in het Böetings niet gerokken wordt en dat het Berings wel nog sporen van “rekking” bevat.  Het Böetings kent echter wel ‘rekking’ (alsook het Berings) en als er gericht naar gezocht wordt, waarschijnlijk in nog meer gevallen dan de voorbeelden hier: eeg, groas, groof, kèèr, (ich) koom, loam, skoan, smoal, sproot, stroot, troog, (inne) woor, (ich) zaag,… (eg, gras, grof, kar, (ik) kom, lam, schande, smal, sport, strot, trog, (in de) war, (ik) zag,…  Vaak heeft men de neiging om onder invloed van het A.N. of tussentaaltjes woorden met oorspronkelijk gerekte klinkers kort uit te spreken.  Dit is ook weer taal/dialect verlies.  Voor het Böetings is het van belang de woorden waarbij er gerekt wordt te bewaren met hun gerekte klank.  Een lijst met al de woorden waarbij het Böetings rekt zou een goed middel zijn om deze gerekte vormen te bewaren en aan te leren.

Het volgende waarover we het in deze aflevering gaan hebben is de ontwikkeling van de West-Germaanse “a” en “o” gevolgd door een “l” en “d/t”.  In het Nederlands hebben de “a” en “o” zich hier hetzelfde ontwikkeld, beide werden er tweeklanken… “goud, hout, zout, koud, oud”.  In het Duits werd de oorspronkelijke tegenstelling behouden en ook de “l” bleef er behouden… “Gold, Holz, Salz, kalt, alt”.  In de meeste Limburgse dialecten viel de “l” weg zoals in het Nederlands maar bleef de tegenstelling net zoals in het Duits behouden… “good, hoot, zaat, kaad, aad” (varianten).  Het Böetings kent hier een ontwikkeling zoals in de meeste Limburgs dialecten: “good, hoot, zoat, koad, oad”.

Het derde taalverschijnsel voor deze aflevering waarnaar we kijken is de plaats van de “r” in het Limburgs.  Deze staat in Limburgse woorden soms op een andere plaats dan in het Nederlands.  Ook hebben Limburgse woorden soms een “r” waar er in de Nederlandse woorden geen “r” voorkomt.  Afstandsmetathese is het verschijnsel waarbij de “l” en de “r” van plaats verwisselen bij woorden die eindigen op “-l”.  Voor het Böetings is dit zo o.a. bij “kèllever”, “ölleger” (kervel, orgel).  Een zeldzame keer komt “-el” in de plaats van “-er” als uitgang.  Hier is “haomel”  (hamer) een voorbeeld voor het Boëtings.  Het invoegen van een “r” na een onbeklemtoonde lettergreep, r-epenthese, komt ook in het Böetings voor bij o.a. “kernèèn” en “kortelet” (konijn en kotelet).  Omgekeerd komt in de Limburgse dialecten ook r-deletie voor.  Hierbij laat men de “r” weg in een woord.  Dit verschijnsel komt voor in een groter gebied dat zich uitstrekt van Frans-Vlaanderen tot bij ons.  Het aantal gevallen waarin de “r” wegvalt in een woord neemt echter toe naar het oosten.  Voorbeelden voor het Böetings zijn o.a. : “moe(‘e)”, “doa”, “nó”, “vanie’e”, “nemie’e”, “héi” (waar, daar, naar, wanneer, niet meer, hier). 

Als laatste taalverschijnsel voor deze aflevering gaan we het hebben over de gevallen waarin er “umlaut” (klankwissel) optreedt in het Böetings.  In de Limburgse dialecten kan Umlaut optreden in een aantal gevallen.  Dit kan zijn bij meervoudsvorming, verkleinwoorden, werkwoordvervoeging en afgeleide vormen.  Umlaut bij meervoudsvorming komt niet meer algemeen voor in het Böetings maar er zijn wel enkele voorbeelden te vinden (misschien zijn er wel meer als er naar gezocht wordt).  Voor brood-broden en pad-paden is het in het Böetings: “broe’ed-broe-i” en “pad-poai” (= + uitgangsloos meervoud).  Bij verkleinwoorden kent het Böetings wel Umlaut: “jas-jeske”, “tak-tekske”, “vais-veske”, “hond-hunneke”, “boe’em-búmke”, “blom-blummeke”, “broe’ed-brùike”, “pad-petteke”,… (jas-jasje, tak-takje, vijs-vijsje, hond-hondje, boom-boompje, bloem-bloempje, brood-broodje, pad-padje).  Bij werkwoordvervoeging kent het Böetings ook Umlaut in een aantal gevallen, bijvoorbeeld: “ich weet – gè wit” (ik weet – jij weet), “ich neem– gè nimt” (ik neem – jij neemt),  "ich goñ - gè giet" (ik ga - jij gaat) ,  "ich loe'ep, gè lúpt" (ik loop - jij loopt) ... Ook bij afgeleide vormen kent het Böetings Umlaut zoals: “de bekker bakt” (de bakker bakt)…

Dit zijn weer vier verschijnselen die het Böetings deels of volledig kent.  Een aantal zaken kunnen verder uitgezocht worden.  Het is altijd zo dat de Limburgse/oostelijke vormen onder druk staan van het A.N. of tussentaaltjes die op niet-Limburgse dialecten gebaseerd zijn.  Daarom is het van belang de Limburgse/oostelijke kenmerken in onze dialecten te bewaren en voor zij die dialect willen leren om deze Limburgse/oostelijke kenmerken juist aan te leren.

R. Vanesch. 

Lees 292 keer
Log in om reacties te plaatsen