Onder aandacht brengen is 1 ding, interesse wekken een 2de en opnieuw meer dialect spreken een 3de. Vaak hoor je wel zeggen “ik zou het wel willen spreken, maar ik kan het niet”… Als men wou/wil leren auto rijden zegt men toch ook niet “ik zou wel willen auto rijden maar kan het niet”… Als je het plaatselijk dialect “zou willen” spreken is er een eenvoudige oplossing… Begin er gewoon mee. Zoals bij elke nieuwe taal die je leert zal je in het begin fouten maken maar deze zullen na verloop van tijd minder en minder worden tot zelfs volledig verdwijnen. Sommige plaatsen hebben dialectcursussen, zoals deze gegeven door Veldeke Hasselt. De “lèssen Hessels”, die er gegeven worden als echte taalcursus, zijn er een groot succes. Niet in elke plaats is er zo een groots opgezette cursus om de lokale streektaal te volgen, maar er zijn ook andere manieren om het lokale plat te leren. Voor Limburgers zijn de hoofdisoglossen (en hun volgisoglossen) een middel dat kan gebruikt worden om te zien aan welke kant van een bepaalde isoglosse jouw plaats ligt. Zo kan men al zien wat er niet in het dialect van zijn/haar plaats gezegd wordt of hoe iets er niet gezegd wordt. Aan de andere kant kan men zo natuurlijk ook zien wat en hoe er iets wel in zijn/haar plaats gezegd wordt.
Natuurlijk zijn er ook regionale en lokale eigenaardigheden. Die kan je leren van mensen die het lokale dialect nog spreken, via woordenboeken (online of papier), door gericht vragen te stellen over de lokale dialecten aan heemkundige kringen…
Om weer Boëtings te leren hebben mensen van Paal en Tervant toch redelijk wat middelen ter beschikking. Zo zijn er de stukjes Boëtingse les, de cursiefjes en het online woordenboek met geluidsfragmenten… Klankleer en woordenschat genoeg! Sommige uitspraken kunnen bij het aanleren wat moeilijker zijn dan anderen. Dan kan het helpen om de uitspraak wat te overdrijven en ze erna terug te brengen naar een normaal niveau. Een aantal dingen in het Boëtings komen in de ruimere regio voor, andere zijn universeel Limburgs en nog andere zijn echt lokaal. We gaan hier nog eens in op de 3 voorname isoglossen van het Limburgs in de buurt van Paal en Tervant. In dit deel komt de reeds meermaals in andere stukken aangehaalde Uerdingerlijn (“ik/ich”, “ook/ooch”) aan bod.
De Uerdingerlijn (en haar volgisoglossen) is de scheidingslijn tussen het Westnederfrankisch (dialecten die het Nederlands vormden)/Nederduits (in Duitsland) ten westen en noorden van bij ons gezien, en het Oostnederfrankisch/Limburgs ten oosten en zuiden van bij ons gezien. Het Boëtings valt als dialect binnen het Limburgs/Oostnederfrankisch in ruimste zin en heeft dus de Limburgse vormen verbonden aan de Uerdingerlijn en haar volgisoglossen. Dit zijn de vormen “ich, ooch, oech/óch, mich, ur (oer), urre (oerre)” voor de Nederlandse “ik, ook, u, mij, uw, uwe”. Ten westen/noorden van de Uerdingerlijn zijn het varianten van “ik, ok, u/aa/ow/ef, mèè/mij/maa, ef/éöf/aa/ow, éöve/evve/awe/owwe,…”. De vormen voor het Boëtings (en het westen van het Limburgse taalgebied, het oosten heeft “dich/uch” varianten voor “oech/óch”, “dien/dein” varianten voor “ur (oer)” en “diene/deine” varianten voor “urre (oerre)”, “ich en mich” varianten zijn algemeen Limburgs) zijn dus “ich, mich, ooch, oech/óch, ur (oer), urre (oerre)”. Deze zijn heel eenvoudig uit te spreken, maar wel van belang omdat deze vormen het Boëtings binnen het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied (in ruimste zin) leggen d.w.z. tussen Uerdingerlijn, Benratherlijn en de taalgrens. Deze eigenschappen gecombineerd met de cursiefjes, het online woordenboek en de stukjes Boëtingse les zijn zaken die geïnteresseerden de mogelijkheid geven om goed Boëtings te leren (of om hun Boëtings op te frissen).
Omdat de meeste tegenstellingen verbonden aan de Uerdingerlijn en haar volgisoglossen voornaamwoorden zijn hier toch wat meer over.
Persoonlijke voornaamwoorden:
-De 1ste persoon enkelvoud als onderwerp “ich”, en niet als onderwerp “mich”, heeft het Boëtings gemeenschappelijk met heel het Limburgse taalgebied (en zuidelijkere gebieden Ripuarisch, Moezelfrankisch/Letzebuërgesch,…). Binnen het Limburgse taalgebied (en zuidelijker) zijn er variaties in uitspraak zoals “iech, ech, esj” of “mech”… De basisvorm voor de 1ste pers. enk. als onderwerp is “ICH”. varianten die voorkomen zijn “ICHE” en “’CH”. De “ICHE”-vorm komt voor beklemtoond, alleenstaand en op het einde van een zin. Voor de 1ste pers. enk. niet als onderwerp is de basisvorm “MICH”. De variant “MICHE” kan voorkomen alleenstaand en op het einde van een zin benadrukt.
-De 2de persoon enkelvoud als onderwerp heeft de vormen “GÈ, GE, G’” en “Der”. Beklemtoond is de vorm “GÈ”. De “DER” vorm komt alleen voor in een zin (onbeklemtoond). Als vorm komt ook “De-Gè” voor. De 2e pers. enk. niet als onderwerp heeft als basisvorm “OECH/ÓCH” en als nevenvorm “OECHE/ÓCHE”. De “OECHE/ÓCHE” variant komt voor zoals de “MICHE” variant.
-De 3de persoon enkelvoud als onderwerp heeft al mannelijke vormen: “HÈ, ”HE”, “H’”. In o.a. Koersel, Stal, Lummen Heusden,... komt de “ER” vorm nog voor onbeklemtoond in een zin. In een enquête vertaald naar het Berings dialect van 1885 (Enquête Willems) komt naar voor dat het Berings toen de “ER”-vorm nog kende en ook in Diest kende men de “ER”-vorm nog in 1844 (vertaling van “De verloren zoon” naar het Diesters door J.L. Weessen). Gezien de ligging van Paal en Tervant zou dit erop kunnen wijzen dat de “ER”-vorm er ook ooit voor kwam. Het zou logisch zijn. De 3de pers. enk. niet als onderwerp heeft voor mannelijke vormen: “HUM, H´M, ‘M”. Vrouwelijke vormen zijn als onderwerp “ZÈ”, “ZÖ”, “Z’” en niet als onderwerp “HUR, H´R, ‘R”.
-De 1ste persoon meervoud als onderwerp heeft als vormen “WÈ, WÖ, W’” en niet als onderwerp “OS”.
-De 2de persoon meervoud als onderwerp heeft als benadrukte vorm “GÈ” en verder “Ge”, “G’” en “DER”. De “DER” vorm komt voor zoals die voorkomt bij de 2de pers. enk. ond.. Als niet-onderwerp zijn de vormen “ÓCH/OECH” en “ÓCHE/OECHE”. De “ÓCH/OECH”-vorm is de basisvorm. De “ÓCHE/OECHE” varianten komen voor zoals de “MICHE” variant e pers. enk. geen onderwerp doch hier kan “allemoa(ë)l” er nog bijkomen om aan te tonen dat het om een meervoud gaat (maar de vorm van het werkwoord geeft dit al aan).
-De 3de persoon meervoud als onderwerp kent de vormen “ZÈ, ZÖ, Z’”. De benadrukte vorm is “ZÈ”. De vormen waar deze persoonsvorm niet het onderwerp is zijn “ZÈ, ZÖ, Z’” en “HUN, H´N”. Ook hier kan er “allemoa(ë)l” bijgezet worden.

Voorbeeld zinnen:
-1e pers. enk. ond.: “Ich war op tèèd giens“, “Da zen iche“, “ ‘ch Zéin ‘t néi“.
-1e pers. enk. geen ond.: “Ich hem mich pain gedön”, “Da es van miche“.
-2e pers. enk. ond.: “Gè mot es meekome”, “Hì de-gè da gemakt?”
“Ge vùilde de wermte vanne stoof”,
f “Wa war der va zien?.
-2e pers. enk. geen ond.: “Die telluur es vur óch/oech”,
“Es die van óche/oeche?”.
-3e pers. enk. ond.: “Hè war da néi“, “Zè moest dao zen“,
“Moe gónk hè opoan?“, “Da há zö néi gezéin“,
“ ‘h Hit da gezeed“, “z‘ Hit ooch néif katsjoebotte“.
-3e pers. enk. geen ond.: “Da es van hum”, “Da es vur hur”,
“Da há h’m gehú‘erd“, “Ich gèèf ‘r da mörrige“,
“Dao mot ‘m es hinne goñ“, “Moe stöt h’r kabbas?“.
-1e pers. mv. ond.: “Wè kunne da zéin“, “Goñ we mee?“,
“w‘ Hemme friet gebakke”.
-1e pers. mv. geen ond.: “Da es van os”, “On os zal ’t néi linge”.
-2e pers. mw. ond.: “Gè stöt (allemoa(ë)l) wa te lóu’ere”,
“War der (allemoa(ë)l) abùis?“,
“g‘ Há/ Gö há (allemoa(ë)l) hónger“,
“Moe gó de-gè (allemoa(ë)l) hinne?”.
-2e pers. mv. geen ond.: “Ich ken óch (allemoa(ë)l) néi”,
“Die vloai es vur óch/oech (allemoa(ë)l“.
-3e pers. mv. ond. : “Ze wieste alles te vienne“,
“Es da moe zö op konzjee gewiest zen?“,
“Da es moe ze alles kwèèt gespuld zen”.
-3e pers. mv. geen ond.: “Zè warren ooch kome zéin”,
“Zoon zö kome?”,
“Da haan z’ooch kunne dóun“,
“Da es vur hun“,
“Doa haan z‘ h’n mispakt”.
Het wederkerend voornaamwoord:
Enkelvoud: Voor de 1se pers. enk. zijn de vormen “MICH”, “MICHZELF” en ook “MEN ÈGE”. De 2de pers. enk. heeft “ÓCH/OECH”, “ÓCHZELF/OECHZELF” en “UR ÈGE” als vormen. Voor de 3de pers. enk. is het “HUM”, “HUMZELF”, “ZEN ÈÈGE” voor de mannelijke vormen, “ZICHZELF” is zowel mannelijk als vrouwelijk en de vormen “HUR”, “HURZELF” en “HUR ÈÈGE” zijn de vrouwelijke vormen. Als onzijdige vormen zijn er ook “ZICH” en “ZICHZELF”.
Meervoud: De 1ste pers. mv. heeft de vormen “OS”, “OSZELF” en “OS ÈGE”. Voor de 2de pers. mv. zijn het “ÓCH/OECH”, “ÓCHZELF/OECHZELF” en “UR ÈGE” als vormen. De 3e pers. mv. kent “HUN”, “HUNZELF”, “HUN ÈGE” en “ZICH” als vormen.

Voorbeeldzinnen:
-1e pers. enk.: “Ich miestèl mich”,
“Ich goñ michzelf éit hoale vur te ète”,
“Ich goñ men ège wasse”.
-2e pers. enk.: “Gè wast óch/oech“,
“Gè hit óchzelf/oechzelf mee geverfd”,
“Da hì der ur ège obbe nek gehald“.
3e pers. enk.: “Hè es zich/hum/h’m on ‘t bèètrekke“,
“Hè bedinkt zen ège/zich/zichzelf”,
“Zè es hur on ‘t wasse’’,
‘‘Zè bedenkt hur/hur ège/hurzelf”.
3e pers. enk. onz.: “’t Jonk es zich on ’t spói’e“,
“’t Kind hit zichzelf inne moos begoaid”.
1e pers .mv.: “We zen os on ’t oandóun”,
“We hemme os/ozzège/oszelf éit obbe nek gehald”,
2e pers. mv.: “Gè verveelt óch(oech)/óchzelf(oechzelf)/ur ège (allemoa(ë)l)”,
“Gè zet óchzelf/oechzelf (allemoa(ë)l) on ’t begoai’e”.
3e pers. mv.: “Ze zen hun/hun ège on ’t diek make”,
“Ze make hun ège/ hunzelf/zichzelf éit wèès”.

Voorbeeldzinnen:
-Bezittelijke voornaamwoorden voor het zelfstandig naamwoord:
1e pers. enk.: “Mèn hoar es inne woor“,
“Da es menne(n) otto“,
“Da war mèn zjat“.
2e pers. enk.: “Moe es ur kaar?“,
“Hangt urre sjal onne kapstok?”,
“Ur ma réip op urre pa”.
3e pers. enk. : “War da zenne stóul?“,
mnl. (+ onz). “Ich dink dat da zèn skup es“,
“Zè voader war kome höllepe“,
“Doa há h’m/hum zen/z’n brók geskeurd“,
“Zen dochter en zenne zoon dóun voets mé zen komèrs”.
vrwl. “Es da hurre(n) hond?“,
“Hur hoar es laank gewore“,
“Doa há ze hur néi o(n) verwocht”.
1e pers. mv.: “Os tant most mie’er woater drinke van ozze doktoe’er”.
2e pers. mv.: “Urre pa en ur ma ware(n) allebèè inne winkel“.
3e pers. mv.: “Hun appels gave ze an hunne bok”.
-Bezittelijke voornaamwoorden zonder zelfstandig naamwoord:
1e pers. enk.: “Da es de menne“,
“Da es ‘t mèèn“.
2e pers. enk.: “Da es den urre“,
“Da es ‘t ur“.
3e pers. enk.: “Da es de zenne“,
“Da es ‘t zèn“,
“Da es d’n hurre“,
“Da es ‘t hur“.
1e pers. mv: “Da es den ozze“,
“Da es ‚‘t os“.
2e pers. mv.: “Da es den urre“,
“Da es ‘t ur“.
3e pers. mv.: “Da es den hunne“,
“Da es ’t hun“.
In een volgende aflevering kijken we naar 2 andere isoglossen (die ook al in een eerder stuk aan bod kwamen), waar het Boëtings zich er t.o.v. bevindt en wat dat te betekenen heeft om “Boëtings te klappe”.
R. Vanesch 12/2023.