Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -
Er is zeer weinig bewaard van de Paalse geschiedenis, maar er zijn toch wel enkele 'getuigen'. Je vindt in deze rubriek info over de Paalse schansen, oude kaarten van Paal en omgeving, de verbreding van het kanaal, .... Voorlopig verwijzen we voor aan aantal artikels uit deze rubriek nog door naar onze oude website. (klik hier)
Het Broederschap van het Heilig Sacrament werd op initiatief van pastoor J.Vlecken opgericht in 1933. Tijdens de 1ste algemene vergadering op 15 juni 1933 werd het reglement goedgekeurd.
Met talrijke foto's illustreert Louis Leten het leven van sœur Marie Michel, in de wereld Alice Volders, op een missiepost in Mongbwalu, waar zij haar opleiding als vroedvrouw in de praktijk bracht.
Ze werkte er in een moederhuis, dat later een algemeen ziekenhuis werd, en een moederheil in Kilo.
Het vervoer van steenkool en andere ladingen via het kanaal was streng gereglementeerd door het Ministerie van Verkeer. In Hasselt was er de zogenaamde Kolenbeurs/Schippersbeurs voor motorboten. Schippers die aangemeerd waren moesten zich aanmelden wanneer zij een lading wilden transporteren. Op een bord werd dag en uur van aankomst genoteerd. Elke dag om 15h00 riep de beursmeester de te vervoeren ladingen af. Deze werden dan toegekend aan de geïnteresseerde schippers voor die specifieke ladingen rekening houdend met hun tijd van aankomst en laadvermogen van het schip. Schippers die in Tervant aangemeerd lagen organiseerden zich en namen aan café de Sleepvaart de taxi naar Hasselt. Moeder Moons, Alouisa Pauwels, bestelde 1 of 2 taxi’s, naargelang het aantal schippers die naar de beurs wilden, bij taxi Peeters aan de Posthoorn. Een schipper kon zich ook laten vertegenwoordigen door een collega schipper die dan voor hem onderhandelde op de beurs. Bij het toekennen van het transport werd vervolgens een vrachtbrief opgesteld waarop provisie werd verrekend die ter plaatse moest betaald worden.
Alice Volders ging van de Buiting naar Hasselt om vroedvrouw te worden, dan naar Lille en Metz om missiezuster te worden, dan naar Afrika om haar beroep uit te oefenen.
Ze is er gebleven zo lang ze kon, in moeilijke omstandigheden. Opeenvolgende malariacrisissen dwongen haar uiteindelijk om afscheid te nemen van haar werk in Congo/Zaïre. Ze keerde terug naar het klooster in Metz en ging er op rust. Sœur Marie Michel overleed in 2002 op 86-jarige leeftijd. Alice leefde en stierf ver weg van Paal, maar blijft voor eeuwig een meisje van de Buiting.
Beringen Rowing club/de roeiclub
De directie van de steenkoolmijn van Beringen stichtte in 1940 de roeiclub op om het sociale leven rondom de mijn te stimuleren. De club was gevestigd in het boothuis op het terrein van de Lossing. Het boothuis zou tijdens WOII ook als schuil- en doorvoerplaats voor Engelse piloten gediend hebben. Al het materiaal van de club was betaald door de mijn en was van het beste dat er op dat ogenblik te verkrijgen was. Beringen Rowing Club was de enige roeiclub in Limburg en was zeer succesrijk. Het merendeel van de roeiers waren mijnwerkers zoals: René Plees, Lucien Plees, Jozef Van Roey, Rik Webers, H. Webers, Maurice Houtmeyers, M. Husson, Denis Stuyck, R. Wijns, S. Lukarski, A. Husson, A. Lemmens, H. Hulsmans, L. Volders, S. Camps, J. Schonis en T. Convents. Henri Ryckmans was een van de trainers.
De zomervakantie 2023 zit er binnenkort weer op, ze was er nog een van twee volle maanden. In de zomer van 1941, wereldoorlog 2 woedt volop, is Johanna Peremans 14 jaar, ze woont in Brelaar en zit in het achtste leerjaar van de ‘nonnenschool’ in het centrum. Ze is een vlijtige leerlinge en blijkt over een meer dan gemiddeld schrijftalent te beschikken. Haar opstelschriftje van het schooljaar 40-41 biedt een mooie inkijk in het leven van een tiener op de Buiting in die moeilijke periode. Het lijkt allemaal braafjes, dat kon ook niet anders, zo tolerant waren de leerkrachten bijna een eeuw geleden nog niet. Toch koppelde Jeanne een raak observatievermogen aan een grote taalbeheersing. Niet verwonderlijk dat ze tijdens haar leven de brieven moest schrijven voor familie en kennissen.
We beginnen de reeks opstellen van haar laatste schooljaar met haar twee laatste stukjes, omdat ze de zomer als onderwerp hebben. Ze zijn geschreven in de maand juli van 1941. Voor ons een beetje een verrassing …
foto: Johanna (Jeanne) , 1939, 6de leerjaar
Jeanne Peremans woonde Klitsberg nr 28. Straten hadden voor de oorlog nog geen naam, je adres was: Paelstraat, Geenhout, Klitsberg, Breelaer, Krenist, Rijssel, Meelberg of Tervant, en daar een nummer bij. Klitsberg 28 was waar nu de Schaffensesteenweg loopt, kort voor de eerste bocht liep er, als je van het dorp kwam, een paadje naar links. Het huisje staat er nog, de toegangsweg is nu via de Nieuwe Hofstraat.
Met veel respect beschrijft ze haar ouderlijke woning, religie was in die tijd alom aanwezig, net zoals gewenste en ongewenste huisgenoten, het leven en een onverwachte dood.
September 1940. Het nieuwe schooljaar is gestart, in volle oorlogstijd. Life goes on voor degenen die leven, en ook de leerlingen van het achtste leerjaar in de meisjesschool proberen de draad op te pakken met de huishoudkundige lessen: koken, leren lappen en naaien, al wat een toekomstige huismoeder moet kunnen dus. Op de foto zien we Jeanne in het 6de leerjaar (schooljaar 38-39), maar het klaslokaal zal er in het achtste niet anders uitgezien hebben. Centraal het klassieke klaskacheltje, al zal dat in oorlogstijd niet veel warmte gegeven hebben. Vooraan de lessenaar met de inktpot en de vulpen van de juf of zuster, het kruisbeeld en de foto van de koning aan de muur, op de muur achter in de klas enkele bijbelse taferelen, een landkaart ... Voor de oudere generaties is dit ongetwijfeld een vertrouwd beeld. De jeugd zal een beetje vreemd opkijken: rekenen op een lei, what the fuck was dat, een Chinese smartphone of wat ? En versleten of kapotte kleren lappen, deden ze dat op de laptop ? En oh my god, waarom in godsnaam ? Naar school gaan in 1940, het was een andere wereld.
Lastige tijden. Het is aanpassen aan de nieuwe situatie onder de Duitse bezetter, tijdens dat eerste oorlogsjaar van 1940. De koolmijnen in de streek zijn de belangrijkste werkgevers en het duurt een tijdje eer de het zwarte goud weer boven gehaald wordt. Niet alleen de lokale bevolking heeft het nodig met de winter in aantocht, ook de Duitsers brauchen es voor hun oorlogsindustrie. Het vervoer per tram schept af en toe mogelijkheden voor de lokalen, er valt wel eens wat 'van het schip'. Op school wordt de kinderen voorgehouden dat de oorlog, de armoede en de honger een straf zijn van God. Het is in 1940 nog de God van het Oude Testament, hij voelt zich verwaarloosd en krijgt te weinig aandacht van zijn gelovigen. Toch ontsnappen ook de kerken niet aan de nieuwe Duitse verordeningen: verlichting is uit den boze, thuis, op straat en ook in Zijn Huis. Desalniettemin: het oog van God ziet u altijd, besluit Jeanne.
Oktober 1939 en 1940. Herfstgevoelens. Weldra zal de kachel alleen onze kameraad zijn schrijft Jeanne. Haar gedachten zijn ook bij de krijgsgevangenen, die de koude moeten trotseren.
Naast de klassieke herfsttaferelen beschrijft ze ook nog de bewaartechnieken in de tuin: hoe selder en andijvie beschermen tegen de eerste vorst.
In het dorp is ook een ongeval gebeurd en wel met de tram ! Die tram werd niet enkel gebruikt voor personenvervoer, ook steenkool en vee, materialen voor de mijn vonden in de goederenwagons hun transportmiddel. Tramhaltes waren er onder andere op de Zwanenberg en aan het klooster, een rangeerstation op de Wissel (tegenover bakkerij Guedens).
Allerheiligen 1940. Waar het leven bloeit, is de dood niet veraf. Jeanne heeft van kortbij kennis gemaakt met een overlijden: haar schoolvriendinnetje Germaine. Ook aan de novemberstormen ontsnapt Paal niet in dit eerste oorlogsjaar. Nazicht leert dat Jeanne niet overdrijft in haar beschrijving, de nacht van 13 op 14 november bracht een van de zwaarste stormen van de eeuw ! De Rozenkrans is de aanbevolen remedie tegen alle onheil en rampspoed. Na de storm volgt de verstilling, met of zonder gebed het besef van onze nietigheid.
In de donkerste maand van het jaar neigt een mens naar reflectie. Een winteravond werd honderd jaar geleden nog niet gevuld met televisiebeelden maar met verhaaltjes.
Op school krijg je dan de opdracht om een opstel te schrijven over Mijnheer Pastoor. Het gaat Jeanne niet zo goed af, ze krijgt het slechtste cijfer dat ze in het schooljaar 40-41 zal halen voor opstel. Niet verzorgd Jeanne ! Gelukkig komt de Sint. Daar kun je al wat lyrischer bij worden. De ene heilige is de andere niet. Vooral het bakken in de klas gaat de meisjes van het achtste studiejaar goed af en zelfs in oorlogstijd versaagt de goede Sint niet. 't Is misschien wat minder dit eerste oorlogsjaar, maar zowel in de hemel als op aarde is het koekenbak.
De winter van 1941 was er nog een van voor de klimaatopwarming, met de Duitsers en de vriezeman aan het bewind. Jeanne beschrijft hoe de kinderen met plezier naar school gleden. Er was echter niet alleen winterpret, Jeanne heeft ook oog voor wie het moeilijk heeft door de vrieskou: de werkmannen die vroeg uit de veren moeten, de vogeltjes, de krijgsgevangenen in het verre Duitsland, de armen. Voor hen is er ook Winterhulp, een organisatie onder toezicht van het Rode Kruis, die bij sommigen echter een negatieve connotatie had omdat ze ook in Duitsland bestond. Winterhulp zorgde bv. voor de 'schoolsoep' in het patronaat, een initiatief dat al in de Eerste Wereldoorlog bestond.
Het wachten op de terugkeer van een krijgsgevangen familielid is slopend, maar plots ...
In memoriam. Onderwijs volgen is een risicovolle onderneming. Elke dag raken gemiddeld dertien kinderen betrokken in een verkeersongeval van of naar school. De school zelf is door de verzamelde menigte de perfecte omgeving voor virale en bacteriële infecties. Je moet er toch wat voor over hebben !
Dat was in 1941 niet anders. Jeanne moet ervaren dat de school gesloten wordt wegens besmettingsgevaar, van corona was toen nog geen sprake, wel bedreigde 'de kroep' in het eerste oorlogsjaar onze schooljeugd. Difterie, vroeger beter bekend als kroep, is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie,die via hoesten van mens op mens wordt overgebracht. Difterie was voordat vaccinatie algemeen gebruikelijk werd een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij kinderen.
En dan het verkeer, de straten waren verkeersluw, de Duitse oorlogsmachine had zich naar het Westen verplaatst. En toch ... op 14 februari 1941 wordt onze provincie opgeschrikt door een ramp. Valentijn bestond nog niet, maar de dood is een vaste klant, ook in het nog jonge leven. 35 schoolkinderen verdrinken in Godsheide bij Hasselt toen ze op de terugweg van school, per vlot het kanaal overstaken. Net zoals in Tervant en vele plaatsen in Limburg was bij het uitbreken van de oorlog de kanaalbrug opgeblazen. Ook in Tervant staken elke dag kinderen het kanaal over met het vlot, nog tot in 1958. In Godsheide liep de schooldag tragisch af: het overladen vlot kantelde en de overstekers kwamen in het ijskoude water terecht. Een zwarte dag voor Godsheide, lang geleden en wellicht door God vergeten. In Paal schrijven de schoolkinderen in februari 41 er een opstel over.