Een drietal keren ben ik met de ganse klas, ééns zelfs tijdens een zware sneeuwbui, zogezegd op leerwandeling, de velden ingetrokken.
Een paar keren zelfs heb ik zomaar klas en leerlingen in de steek gelaten. Dit gebeurde telkens na een klopsignaal op de ruiten, een afgesproken sein wanneer er razziagevaar dreigde. Het was de taak van een zelfde lotgenoot als ik, die de laatste schakel vormde van een levende seinketting, vertrekkend aan het gemeentehuis in Paal tot in Tervant.
Thuis slapen werd ook te riskant. Uit angst voor nachtelijk bezoek van de Feldgendarmerie, kreeg ik slaapgelegenheid in het plaatselijke klooster van de zusters.
Midden '44 werd het voor mij en mijn thuis onhoudbaar. Van het gemeentehuis uit was er dreiging dat bij niet-aanmelding, een ander gezinslid zou worden opgeëist met kans op eventuele deportatie.
Veiligheidshalve ben ik me dan maar gaan aanmelden, bij het arbeidsambt in Beringen.
Hier verplichtte men mij onmiddellijk aan de slag te gaan als ondergronds arbeider in de koolmijn van Beringen.
Amper 48 uren later kreeg men thuis de Feldgendarmerie al over de vloer, blijkbaar met het inzicht mij te verrassen en aan te houden.
Van mijn ouders kregen ze te horen dat ik uit werken was in de koolmijn. Ze zijn dan vertrokken en zouden er zich ter plaatse gaan vergewissen of dit wel zo was.
Gelukkig hebben ze er zich niet gemeld, want ik had de ondergrond nog nooit gezien.
Ik beschikte ook over een “nachtbescheinigung” als eventueel vrijgeleide na nachtelijke arbeid.
Ik heb er nochtans nooit gebruik van durven maken, omdat ik vreesde in een val te worden gelokt bij het overschrijden van de kanaalbrug in Beringen.
Tenslotte kreeg ik op 21/7/1944 vanwege de Feldkommandantur 681 mijn “Bescheinigung über Freistelling vom Arbeitseinsatz im Reich”. (Bericht over
vrijstelling van arbeidsdienst in Duitsland).
Gelukkig eindigde voor mij en mijn thuis begin september een lange en bange episode van onzekerheid, onrust, wantrouwen, angsten en veel slapeloze nachten.
