Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

13 november 2022

Frans Pieters, van mijn 18de tot mijn 24ste (afl.4): in Stalag XVIIB

In de diepte ver voor ons stroomde de zo romantisch bezongen Donau, die in onze ogen niet die mooie blauwe, maar eerder een grauwe Donau geleek.
Sinds de kamppoort achter ons werd dicht gedraaid, was elk contact met de buitenwereld uitgesloten. Daarvoor zorgde een dubbele rij 3-meters hoge afsluiting van horizontaal en verticaal ineengevlochten prikkeldraden. Achter dat stalen net waanden wij ons als gevangen vogels, beroofd van hun vrijheid en opgesloten in de beperkte ruimte van een kooi.

Metershoge geschutstorens rondom de omheining en bemand door zwaar bewapende schildwachten, hielden alles onder schot, zodat pogen te ontsnappen gelijk stond met zelfmoord. Poolse, Franse en Belgische soldaten waren onze lotgenoten, maar enig contact met hen was uitgesloten. Weinig kennissen hebben we er ontmoet.
Vijf Palenaren vormden er een familieonderonsje, namelijk 3 broers Vanzeir, neven van mijn broer Leon en mezelf.

Het kampleven zou voor ons alles behalve een pretje worden. Bij aankomst moesten we een controle passeren waarbij we ons geld, messen, scheergerief en dergelijke moesten inleveren.
In vuile, vieze barakken kregen we een onderkomen. Onze slaapgelegenheid bestond uit ruw houten stapelbakken, driedubbel naast en boven elkaar. Slapen op die ruwe planken met enkel onze bagagezak als hoofdsteun was wel even wennen.
StalagXVIIB tentenBij aankomst in ‟t kamp kregen we voor een paar dagen een voorlopig verblijf in tenten, in afwachting van beschikbare ruimte in barakken. Verschillende inentingen, het ontluizen, het kaal geschoren worden, waren van die nare belevenissen waarvan we minder aangename herinneringen zouden meedragen.
Zwaar om dragen was ook de eenzaamheid van het kampleven. Nooit mochten we een voet buiten het kamp zetten, terwijl de soldaten er mochten mee helpen in de wijnbouw, de graanoogst en bij de wegenbouw.
Ons verblijf verliep totaal anders. Het was vroeg opstaan waarna het appel en regelmatig nog wat dril onder het commando van een Duitse officier. Omstreeks 8:00u mochten we dan aanschuiven voor een blikje ersatzkoffie. 
Daarna was het doelloos ronddrentelen tot het middaguur. Omtrent die tijd volgde dan een pollepel zogenaamde soep, een vieselijk zootje van water met aardappelschillen, meestal met de scheuten er nog aan. Dat telde dan voor ons volledig middagmaal. Voor wat variatie in de bereiding werden de schillen af en toe vervangen door stukken harde stengel van doorgeschoten saladeplanten.
Een laagje roodoranje kleurige bladluizen (gratis meegeleverd) zweefde meer dan eens aan het oppervlak van dit “appetijtelijk zootje”. Was het misschien de bedoeling hiermee onze herinnering levend te houden aan een lekker bord tomatensoep, ons geserveerd in betere tijden?
Zielig was de aanblik ons te zien zitten, gehurkt tegen de buitenwand van de barakken met ons metalen kommetje op de knieën. Na even smaakloos kauwen op de aardappelschillen, werd door de meesten onder ons die schillenbrij uitgespuwd op een piepklein stukje krantenpapier om het daarna in de wc‟s te kieperen.
Haast elke dag waren we getuigen van griezelige hongertaferelen, als sommige medegevangenen de papiertjes in het voorbijwandelen meegraaiden om ze één na één af te likken. De papiertjes moesten ze echter ter plaatse laten, want die moesten de dag nadien nog worden gebruikt.
Het merendeel van die papiertjes met uitgespuwde schillenbrij belandde in de wc‟s. Dit waren open kuilen van +/- 2 op 3 meter met aan de langste zijden een 5 tal paaltjes in de grond geheid, met daarop een stevige lat vastgenageld.

Eenmaal hebben we wegens een besmettelijke ziekte, een tiental dagen in quarantaine opgesloten gezeten in de barak. Wat voor soep moest doorgaan, werd dan in zinken emmers door de ramen naar binnen geschoven. Bij valavond volgde dan broodbedeling: één zwart broodje van 600gr. om vier hongerige magen te stillen. Het werd telkens een delicate bedoening om dat broodje millimetrisch te “vierendelen”.
Bij de minste twijfel over het exacte gewicht van de vier porties, kwam er nogal dikwijls een neutrale lotgenoot bij te pas, die dan mocht “kwikken”, zoals men dit noemde. Het bestond erin met ¼ van het versneden broodje in elke hand, te trachten het gewicht van beide porties te vergelijken, door beide handen gelijktijdig lichtjes op en neer te wiegen.
Werd er enig verschil in gewicht vermoed, dan werd met enkele grammetjes erbij of eraf getracht vier even zware porties te bereiken.
Oordeel nu maar zelf over ons volledig menu voor een ganse dag.

Laatst aangepast op 13 november 2022