Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

4 oktober 2022

Frans Pieters: van mijn 18de tot mijn 24ste (afl3): weggevoerd naar een Stammlager

Laatste meidagen 1940.
Ons verblijf in Trier was van korte duur, want amper twee dagen nadat we in dat kamp werden binnengedreven, draaide de kamppoort opnieuw voor ons open voor alweer een voettocht met bestemming het station van Trier.  In klaarstaande goederenwagons zouden we voor meer dan 50 uren op transport worden gezet, richting oostwaarts.
Zonder enig voedsel noch drank, zouden we hier starten voor een lange, bange tocht.
Bij het dichtklappen en vergrendelen van de logge schuifdeuren werd het even stil.
Akelig stil.
Een paar smalle verluchtingsraampjes, met schuin naar buiten en naar beneden gerichte lamellen, zouden amper voor wat frisse lucht zorgen en waren mede oorzaak van haast volledige duisternis tijdens het ganse verloop van onze tocht.

goederenwagonBij het ons ontstelen van dat laatste straaltje zonlicht, smolt meteen ook ons laatste sprankeltje hoop op een gunstige wending in onze gevangenschap.
Het waarom, de manier waarop, het waarheen en voor hoelang, ‟t waren alle bange vragen die door onze hoofden spookten.
De herinneringen aan al die narigheden werden zo diep in mijn geheugen gegrift, dat het zelfs nu niet de minste moeite kost, mij in te leven in de penibele situaties van destijds.
Een schril, maar voor ons akelig fluitsignaal van de locomotief, was het startsein voor de tocht naar het onbekende. Hortend en schokkend trok de loco het treingevaarte achter zich in beweging.
Een paar minuten bleef het tussen ons nu angstig stil, sprakeloos stil. Dra kwamen de tongen weer los en met schuchtere vraagjes over en weer werd de kennismaking ingezet.
Lang duurde het evenwel niet of de vragen werden almaar ernstiger.
Waarheen zou men ons brengen, wat staat ons daar te wachten, waarin zouden we gehuisvest worden, voor hoelang….
Naarmate de uren verstreken, steeg ook de temperatuur in de wagons en het gebrek aan verse zuurstof zou zich snel doen gevoelen.
Als het treinstel dan soms in volle zon een paar uren werd opgehouden, was het om radeloos te worden omwille van de hitte, de dorst, de angst en zo meer. Dan werd er af en toe wel eens duchtig
gedrumd voor een hapje frisse lucht bij de kleine verluchtingsraampjes. Tracht u maar eens even in te leven in de gegeven omstandigheden, met zo velen (60 man), rechtstaand in zo een beperkte ruimte, zonder voedsel noch drank en bij totaal gebrek aan sanitaire voorzieningen.
Onmenselijk was het, beestachtig!
In de vooravond van de eerste dag schemerde een sprankeltje hoop. Het treinstel kwam tot stilstand en grendels en deuren schoven open.
Wat een opluchting!
Gretig werd uitgekeken naar de naam van het station. We lazen: “Nürnberg”. Iedereen verwachtte de bevrijding uit die grauwe wagons, snakkend naar wat licht na een dag in duisternis en naar wat verkoeling na verzengende hitte.
IJdele hoop!
Na amper enkele minuutjes verfrissing schoven deuren en grendels weer dicht. Wat een desillusie!
Stalag XVII B 3staalag17B
Zo meteen hotsten we weer verder oostwaarts. Met afwisselend nu eens rijdend en dan weer stilstaand, naderden de eerste avond en nacht.
Voor wie gehoopt had dat het einde van de dag ook het einde van de rit zou worden, was het een grote ontgoocheling. Hoe later het werd, des te stiller werden ook de onderlinge gesprekken.
Het beetje hoop dat er nog restte, helde stilaan over naar wanhoop. Vermoeidheid leek plaats te ruimen voor moedeloosheid, terwijl de onrust leek te versmelten in een soort van berusting.
Onze staanplaats zou onze slaapplaats worden. De gelukkigsten onder ons waren zij die gehurkt een plaatsje vonden tegen de wanden van de wagons.
Iedereen snakte naar rust, maar van slapen was amper sprake. Veeleer was het een kuchen en zuchten, af en toe verstoord door een machteloze vloek en ook wel eens door een hulpeloze noodkreet.
Tot overmaat van ramp werd ik al een viertal dagen geplaagd met een pijnlijke zweer ter hoogte van mijn linker knieschijf. Gedwongen rechtstaand de nacht in gaan leek me een marteling. Op mijn verzoek al zittend op de wagonvloer te mogen overnachten gaven mijn lotgenoten mij graag een positief antwoord.
Ongelukkiglijk trapte één van hen tijdens de nacht in volle duisternis op mijn knie, zodat de etterbuil open spatte en bloederige etter doorheen mijn broek sijpelde.
Op verzorging van buiten af hoefde ik niet te rekenen. De enige zorg tijdens de verdere reis was enkel mijn zakdoek, stevig geknoopt over de wonde, waarvan het litteken tot op heden nog zichtbaar is.
Na een schier eindeloze nacht brak een nieuwe morgen open met voor ons ook een beetje nieuwe hoop.
Maar het treinstel bleef genadeloos verder hotsen, nu eens aan een slakkengangetje, dan eens weer even vlotter.
Na een tweede dag en nacht, haast identiek aan de vorige, had niemand nog enig idee van streek of land dat we doorkruist hadden. Maar plots werden we verrast toen de remmen van het treinstel de stalen wielen krassend snerpend over de rails schuurden en het logge gevaarte tot stilstand brachten.
Groter nog was onze verbazing toen we de wagondeuren hoorden ontgrendelen en openschuiven. Niet te geloven, maar eindelijk mochten we weer voet zetten op vaste, maar totaal vreemde bodem.
We keken benieuwd uit naar de naam van het station. We lazen: “Krems a/d Donau”.
Wat een weelde! Plots geen duisternis meer, weg de hitte, voorbij de ondraaglijke stank, voorbij ook het oervervelende geschok van de wielen over de rails.
‟t Werd nu volop genieten van frisse berglucht aan de boorden van de Donau.
Per vier op een rij moesten we ons opstellen in gelid voor een laatste afmattende voettocht, steil bergopwaarts in de richting van Gneixendorf, onze eindbestemming.
Eenmaal boven op de hoogvlakte, midden frisgroene weiden en golvende graanvelden, doken plots door een rij wilde kerselaars langs de weg, de silhouetten van netjes op twee rijen ingeplante houten barakken.
Dit kamp, genaamd STALAG XVII B, gelegen in Oostenrijk, niet ver van de Hongaarse grens, zou onze nieuwe thuis worden. Hier zouden we gedurende ettelijke weken, alleen nog maar van vrijheid kunnen dromen.
luchtopnameStalag17B

Laatst aangepast op 4 oktober 2022