werd ’s morgens een Duitse schildwacht door de Witte Brigade doodgeschoten. Hij stond op wacht om de schepen te bewaken die in de kolenhaven waren samengebracht. De Duitsers hadden schrik dat de bevrijders een noodbrug zouden aanleggen met deze schepen. De Duitsers waren heel prikkelbaar en erg nerveus.
Aan de ene zijde van het kanaal heerste feestvreugde en aan de overzijde van het Albertkanaal was het nog echt oorlogsgebied. Daar woonde in de Zandhoefstraat (vroeger de wijk Ulfort, achter het Albertkanaal) het gezin van Jozef Christiaens en Maria Verhesen, met hun vier kinderen, Michel, Fernand, Roza en Clementine.
De Duitsers kwamen in groepjes van Beringen Mijn en Oostham afgezakt en verspreidden zich over de velden, verschansten zich achter hagen en heggen. De inwoners van de wijk zagen dat allemaal gebeuren, hadden schrik en verscholen zich in de kelders en abri’s. In de namiddag werden alle bewoners uit hun huizen gehaald en op het binnenplein van de boerderij van Alfons Bervoets samengebracht. Iedereen werd ondervraagd en gefouilleerd. Al de huizen in de omgeving werden grondig doorzocht en uitgekamd. De Duitsers waren op zoek naar wapens, omdat er geschoten was, maar er werd niets gevonden. Na lange ondervragingen en vruchteloze huiszoekingen mocht iedereen weer naar huis gaan. Toen de bewoners terug in hun huizen kwamen troffen ze een puinhoop aan, alles lag overhoop. Toch bleef het voorlopig stil en werd er niet geschoten. Fernand Christiaens, Alfons Reynders, Leon Berrevoets en nog een paar kameraden, allemaal zestien jaar waren nieuwsgierig en klommen op de ramp, waarop de oude brug was gebouwd, opgeblazen op 10 mei 1940. Ze wilden proeven van de feestvreugde aan de overkant. Toen ze boven op de ramp kwamen zagen ze dat de hele omgeving van de brug vol Duitse soldaten lag. Toen de jongens opgemerkt werden riepen de Duitsers “Halt”. Alfons en zijn kameraden bleven staan, maar Fernand zette het op een lopen. Hij werd onmiddellijk onder vuur genomen en een paar keer in de rug geraakt. Dit moet rond 18u gebeurd zijn. Alfons Reynders en zijn kameraden werden verplicht hun zwaar gewonde vriend naar huis te brengen, de pastoor van Beringen Mijn en dokter Deferm werden erbij gehaald. Nadien is Leonie Kenens bij hem gebleven om hem te verzorgen, maar Fernands toestand was zo kritiek dat pastoor Claessens van Tervant verwittigd werd. Die liet zich door een schipper overzetten per boot en diende hem het H. Oliesel of het sacrament der stervenden toe. Op zijn terugtocht werd de pastoor nog beschoten, maar niet geraakt. Op woensdag 6 september rond 22 u is Fernand in de ouderlijke woning aan zijn verwondingen bezweken.
Pastoor Claessens kwam zondagvoormiddag nog terug en nam resoluut het besluit om Fernand zo vlug mogelijk te begraven. Het gevaar voor besmetting en ziekte was niet uitgesloten, want het lichaam lag nog in huis opgebaard. Nog dezelfde dag, op zondag 10 september 1944, werd hij begraven, in alle stilte, na het lof. K.A.J.’ers droegen de kist en vormden een erehaag. Tijdens de teraardebestelling op het kerkhof werden de aanwezigen nog door de Duitsers beschoten en vluchtte iedereen naar huis.
De plechtige eredienst vond later plaats in de parochiekerk van Tervant, op donderdag 28 september 1944 om 10 u. onder massale belangstelling . (uit de notities van André Luyten)
Paal werd op 6 september 1944 om 11u, na 57 maanden bezetting, bevrijd door de 32 ste Brigade van de Britse Guards Armoured Division. Ze bereikten na een kwartier de oevers van het Albertkanaal in Tervant. De bevrijders werden daar met open armen ontvangen. De Belgische vlaggen verschenen aan de huizen, aan de kerktoren en de wip van de Sint- Pietersgilde. De klok van de kerk begon te luiden. De mensen kwamen op straat om de bevrijders te verwelkomen. Het feest kon beginnen en er werd uitbundig gevierd.