Ik heb eens geweldig naar mijn voeten gekregen van mijn moeder. Dat was op een donderdag, in die tijd was het dondernamiddag geen school, maar op zaterdag wel. Ik stapte van school naar huis over de kasseien en kreeg het in mijn kop om uit volle borst ‘it's a long way to Tipperary’ te zingen. Ons moeder was blijkbaar buiten de vensters aan ’t poetsen want die had mij van ver horen aankomen. Die pakt mij daar bij mijn kalee, ge moet weten, Paal liep toen vol Duitsers en onze pa was bij het verzet, niet het gewapend verzet hoor, maar die kreeg opdrachten van officieren die hij kende van de mobilisatie. Hij was hoofdontvanger van de trammaatschappij in Limburg. Als er iets of iemand stiekem het Albertkanaal over moest, dan gebeurde dat tussen Paal en Beringen. Dan moest pa van dienst zijn. Alleen hij en de machinist van de stoomtram wisten dan wat er aan de hand was. Dat moest gebeuren bij het wisselen van de posten in de koolmijn. De Duitsers moesten ten allen prijze steenkool hebben en de ploeg van Diest stond ervoor bekend dat ze veel ‘kool maakte’. Dat was het moment om de Duitse schildwachten op de brug te misleiden. Wanneer die de wagonnetjes aan ’t controleren waren en het werd te ‘warm’, dan blies onze pa op de hoorn, en de machinist die wist dat, die hield de tram onder stoom om snel te vertrekken, en dan moesten de schildwachten van de tram springen, want die ploeg van Diest mocht zeker niet te laat komen voor de putlift die hen naar de ondergrond zou brengen.
foto: de mannen van de trammaatschappij die na de oorlog gedecoreerd werden voor hun medewerking aan het verzet tegen de Duitsers. Louis Cools onder de pijl.

Nog een anekdote die maar weinig mensen weten: bij Fien Vanroy kon je onder de toog van die uit hout gesneden vogels krijgen. Die waren gemaakt door dwangarbeiders die na hun werk in de koolmijn erin geslaagd waren om te vluchten. Die verscholen zich in ’t Ravenshout. Het Ravenshout dat was toen een uitgestrekt bos, geen dennen, maar loofbomen, beuken en eiken en ook moerassig gebied daartussen van de beek. Polen en Russen hielden zich daar verstopt. Die mannen maakten dus kunstig houtsnijwerk en dat lag bij Fien onder de toog om geld te hebben om zich te bevoorraden. Ik weet dat omdat mijn ouders goed bevriend waren met de familie Vanroy, dat was ook een beetje aangetrouwde familie. En ik heb altijd nogal lange oren gehad.
Het bezoek van de Paalse oostfronters herinner ik me ook nog, die mannen gingen vechten tegen de communisten. Die hadden een chique zwart uniform, een kepie die zo hoog omhoog stond, eretekens opgespeld, dat waren tankoversten è. Die maakten wel indruk.
Ik zat bij hun jongste broer in de klas, ging daar ook spelen, zo ben ik die mannen tegengekomen toen ze in verlof kwamen. Ze zijn wel gesneuveld aan het oostfront denk ik, heb er nooit meer iets van gehoord.
Bij de bevrijding heb ik als kind ook wel gezien dat die families zwaar aangepakt werden. In café de Pelikaan, waar later de cinema was, daar werden de vrouwen helemaal kaal geschoren en bespot.
Bij de bevrijding zelf, toen de Duitsers zich al achter het kanaal teruggetrokken hadden, waren er nog Duitsers achtergebleven denk ik. We stonden met heel veel volk in ’t dorp toen een boerenkar aan kwam gereden met daar een paar gedode Duitsers op.
Dat vliegtuig dat in Rijssel gevallen is, daar ben ik ook gaan naar kijken. En ik herinner me ook, toen was Paal al bevrijd, dat ’s morgens bij het krieken van de dag de lucht vol DC3’s hing, met zweefvliegtuigen eraan vast, dat was een geronk, een geronk en dat bleef maar komen … Maar ’s namiddags, het was op een donderdag, het was mooi weer, we hadden ’s namiddags geen school, toen kwamen die vliegtuigen terug, heel verspreid, zonder zweefvliegers natuurlijk, maar die waren nogal gesteld ! De een met een halve vleugel, de ander met een groot gat in de romp, op één motor, je snapte soms niet hoe die toestellen in de lucht bleven.
Toen de Engelsen hier gelegerd waren, die hadden een soort amfibiewagens. Op een plein tegenover ’t café van Houben stonden die geregeld als die terugkwamen van ’t front om gerepareerd te worden. D’r was een geweldig goede mecanicien van Wales, die repareerde die. Dat was een hele lange en die speelde prachtig piano, in ’t café van Houben. De meisjes van Nest van Narres, die kwamen daar dansen, maar ik moet zeggen, dat ging er heel deftig aan toe. Er werd daar gedanst en gezongen, daar mochten wij ook komen, daar was niks mis è.
En in ’45 is er hier in Paal ook een heel grote Driekoningenstoet gehouden, met geweldig veel volk. Mijn moeder heeft toen samen met buren allerlei kleren gemaakt, volwassenen, jong volk, kinderen, die liepen allemaal mee.
foto links: Arthur en Bill, twee Schotten die bij de familie gelogeerd waren, poseren in de tuin van wat nu café The Tower is. Rechts achteraan zie je de typerende gevel van bakkerij Reynders.
Hieronder: Willy demonstreert de tramhoorn die hij erfde van zijn vader. Zo klonk het dus op de stoomtram tussen Diest en Beringen. Een hoorn met een verhaal uit lang vervlogen tijden ...
Op school, dat was toen in het gemeentezaaltje, daar was de kleuterklas en het eerste en ik denk ook het tweede studiejaar. Waar nu het monument der gesneuvelden staat was een klein speelpleintje en daar waren tegen het eind van de oorlog voor de kinderen zo kriskras loopgrachten uitgegraven, met een afdakje van stro of zoiets. Ook op de speelplaats van de grote school, de Lagere Jongensschool, was dat het geval. Ik herinner me dat toen ik in het derde studiejaar zat denk ik, er plots een lege brandstoftank van een vliegtuig naar beneden gedwarreld kwam. De andere kinderen waren in paniek, maar ik niet, ik had in Schaffen al echte bommen zien vallen. Die tank is toen in de haag gevallen die tussen de school en de buren stond.