Leon is maar één dag op de vlucht geweest: de volgende morgen besliste pa om met zijn gezin terug naar huis te gaan, met het gedacht dat het thuis minder gevaarlijk zou zijn.
Toen ze terug thuis kwamen, stond de deur van het café open. Er was niks gestolen, maar… er lag een kalf te slapen op de grond voor de toog, zomaar. Dat beest was ook ergens uitgebraakt en verloren gelopen, denkt Leon.
Pas toen ze terug thuis waren, kwamen de Duitse soldaten aan in Rijssel. Ze hoorden hen aankomen op de steenweg…
Een Duitse soldaat bonkte met de kolf van zijn geweer op de deur. Pa had zo’n schrik dat hij niet durfde opendoen. Leon moest deur openen: daar stond een soldaat met een geweer voor mij, dubbel zo groot als ik. Hij vroeg of bij ons Belgische soldaten waren, ik schudde hard van nee. Hij stak zijn hand in zijn zak en gaf mij een grop caramellen; die hadden ze zeker meegenomen bij het Mulderke (een winkel in de buurt). Ze kwamen binnen, legden een paar stafkaarten op de biljart en ze vroegen: Hier Rijssel? Ik knikte van ja.
Leon herinnert zich ook dat de Belgen in hun hof een kist met handgranaten achter gelaten hadden, gele Mills granaten. Een Duitse soldaat zei tegen Leon: ga een schup halen. Hij moest een gat maken in de gracht en daar werden de granaten in gelegd. Ik heb nooit geweten dat die er uitgehaald zijn en ik denk dat ze er nog zitten.
Op 10 mei sloeg de familie op de vlucht. Pa Jef Aerts had grote schrik want hij wist nog hoe brutaal de Duitsers geweest waren tijdens de Eerste Oorlog. Ze vertrokken samen met alle geburen. Pa had een zak koren op de fiets geladen en daar bovenop zat zijn zuster Jeanne.