Op 10 mei 1940 brak de oorlog uit. De Duitse troepen overschreden de grens met België. Voorlopig was daar op de Heide nog niet veel van te merken, maar er hingen wel overal verordeningen uit dat, in geval van oorlog, de boeren onmiddellijk een paard moesten gaan leveren aan het Belgisch leger. Op 11 mei gaf pa de opdracht aan Vinus om hun paard naar de Belgische verzamelplaats in Heppen te brengen. Hij had zijn fiets meegenomen om terug te keren. Het Belgisch leger op dat ogenblik was maar een rommel, want zijn paard had al een merkteken gekregen op de hoef, maar dan geraakte hij het paard aan niemand kwijt: er stonden daar zoveel paarden dat de militairen ze niet allemaal geregistreerd kregen. Hij zag zelfs iemand die zijn paard gewoon terug mee naar huis nam, maar dat durfde hij niet: hij liet het paard achter en kwam met de fiets terug naar huis.
Als 17-jarige behoorde Vinus al tot de klasse die kon opgeroepen worden om een militaire opleiding te krijgen. In het dorp en ook aan op de Heide, aan de winkel van Jef Vandeweyer, werden uithangborden met een verordening opgehangen dat de 17, 18 en 19-jarigen zich op 12 mei moesten aanmelden voor een militaire opleiding. Dus vertrok Vinus ‘s morgens, met enkele tientallen leeftijdsgenoten, met de fiets naar de Statie in Diest.
Het afscheid was roerend, Vinus wordt er nog stil van. Zijn moeder pakte hem vast, gaf hem wat eten mee… In Diest stond de trein al onder stoom om hen naar Eeklo te brengen, vertrekkensvaardig, noemt Vinus het. Nog voor ze in de statie aankwamen, geraakten ze in een bombardement: het vliegveld van Schaffen werd gebombardeerd. De grote bomen die het vliegveld afzoomden, vlogen in stukken. Toch vertrok de trein. Ze waren nog maar in Zichem, toen ook de trein gebombardeerd werd. Charel Vanzeir werd zwaar gewond en stierf in Aarschot: ze hadden al een dode voor ze in de Vlaanders waren. Ook Leon Bervoets werd daar gewond.
Het duurde drie dagen voor de trein in Eeklo aankwam. Van daar gingen ze naar Ardooie en zo naar Roeselare. Daar bleven ze twee of drie dagen en kregen ze zwart brood met sardienen. Hij was het zeker niet gewoon om zwart brood te eten, dat was voor het paard! Onderweg sliepen ze bij mensen en kregen ze eten: dat was geen probleem. De bedoeling was dat ze naar Montpellier in Zuid-Frankrijk zouden reizen en dat ze daar een militaire opleiding zouden krijgen. Na drie dagen waren ze nog altijd niet verder geraakt dan Hazebrouck in Noord-Frankrijk.
In Hazebrouck werd hun trein nog maar eens gebombardeerd. Ze doken allemaal in de gracht en Vinus zag de Duitse vliegtuigen op hen afkomen, met bommen "die uit de vleugels vielen" (die onder de vleugels hingen). Die bommen maakten een raar geluid: zuuut, en dan: boem, een zware slag! En stinken dat dat deed!
Er waren heel wat doden en hij zag ingewanden van gedode soldaten tot in de bomen hangen…
Daar werd het duidelijk dat de oorlog voor hen voorbij was. iedereen zette het op een lopen en met drie jongens van Paal (hijzelf, Pol Alenteyns en Jef Vandeven) besloten ze terug naar huis te gaan.
Ze trokken naar Calais: dat zag er zo verschrikkelijk uit, dat ze niet verder durfden trekken.
Bij Poperinge stapten ze toch terug de Belgische grens over. Daar bleven ze enkele dagen bij een boer en hielpen ze in de hopteelt. Het is daar dat Gustaaf Peeters dood is gebleven na een ongeluk met een camion. Bij een bombardement hebben ze wel een halve dag in een gracht gelegen, zo erg ging het er aan toe.
Ze waren toen al meer dan tien dagen van huis weg en de Duitsers kwamen alsmaar dichterbij. Ze geraakten tot in Westvleteren en daar hoorden ze het nieuws dat België zich overgegeven had.
Engelse soldaten trokken terug naar Engeland en die probeerden hen te overhalen om met hen naar Engeland te trekken. Ze wisten eerst niet goed wat te doen, maar Jef had schrik: zie dat ze bommen gooien als we op een schip zitten, dan verdrinken we allemaal!
Nu de oorlog voorbij was, konden ze terug naar huis trekken. Meestal gingen ze te voet, soms konden ze efkens meerijden op een kar of zelfs op een camion. Na drie weken kwamen ze terug thuis! Dat moet ergens rond half juni geweest zijn. Ze vonden die tocht geen drama: ze waren met hun drieën. Omdat ze burgerkleren droegen, moesten ze ook geen schrik hebben van de Duitse soldaten die voorbij kwamen. Wel heeft Vinus een Belgische soldaat aan een telefoonpaal zien hangen!
Zo kwamen ze te voet in Diest. Daar heeft hij bij de kleermaker, waar ze klant waren, een fiets geleend om naar huis te fietsen. Jong, dat was daar een weerzien!
In zijn afwezigheid hadden zijn ouders elke dag gebeden dat hij toch zou terugkomen, niemand in huis kon nog lachen…
En: weet u wat Vinus het meeste opviel? De witte bloem waar ze altijd brood mee gebakken hadden, was op en er was alleen nog zwart brood.
(wordt vervolgd)
Livinus, “Vinus”, Caubergs werd in 1923 geboren op de Heide in Paal. Hij was dus 17 jaar toen in 1940 de oorlog uitbrak.