Aan boord stond een brakske, een hutje, en daarin stond een duvelke, een kacheltje. Voor dat vlot moest je betalen, een sol of een kwartje, dat weet Maurice niet meer. Hij weet nog wel dat de kinderen niet moesten betalen en dat het vlot ook op zondag voormiddag gratis was om naar de mis te kunnen gaan...
Dat vlot voer van ongeveer 5 uur ’s morgens tot 22 uur ’s avonds, zodat zowel de mijnwerkers van de morgenpost als die van de nachtpost, het kanaal konden oversteken. De eerste vlotman was Charel Poels.
Er was een stevige stalen kabel gespannen over het kanaal en die liep over het vlot. Met een houten klos werd het vlot over het kanaal getrokken. Telkens wanneer er een schip in aantocht was, moest de vlotman de kabel laten zakken tot op de bodem van het kanaal. Een keer, in de winter, bleef de kabel op het ijs liggen in plaats van te zakken tot op de bodem. Het schip dat aankwam, trok de kabel los. Dat was een heel spel om die kabel terug op te trekken.
Iedere keer als het vlot kapot was, moesten de schoolkinderen een omweg maken tot in Beringen om daar over de brug het kanaal over te steken en zo terug naar Tervant te gaan: dan was het wel 11 uur tegen dat ze op school aankwamen. Maar ja, de meester kon daar niets van zeggen.
Er was altijd wel iets met dat vlot: als er in de winter ijs op het water lag, kon het niet varen. Dan moest iemand dat ijs kapot slaan met een ijzeren buis. De kinderen deden dat ook, dat was eens iets anders om je op uit te leven !
Maurice Berrevoets woonde aan de Oostkant van het kanaal. Op 30 mei kwamen ze terug thuis, na hun vlucht voor de oprukkende Duitsers. Hij was 13 jaar en dus nog schoolplichtig. Dat was een probleem, want de school lag in het centrum van Tervant, aan de andere kant van het kanaal, en de brug was opgeblazen door de terugtrekkende Belgische soldaten. Vanaf september moest hij elke dag in een bootje het kanaal oversteken, samen met enkele kameraden.