Nonkel Vinus, die er ook bij was, had de Eerste Wereldoorlog meegemaakt en hij zei dat ze de chocolade niet mochten opeten, dat er zeker vergif in zat, maar de kinderen geloofden hem echt niet en aten de chocolade toch op. Ze zijn veilig thuis gekomen; er werden geen plunderingen of diefstallen vastgesteld, dat viel nog mee!
Jozef Vanmol x Margriet Vanroy
VLUCHT NAAR FRANKRIJK: Eugeen Engelen en Elisa Leyssens
Het mijnwerkersgezin woonde in Paalstraat nr 20 in Paal. Het telde 12 kinderen.
Al op 10 mei maakten we kennis met de oorlog. Heel vroeg in de ochtend cirkelden Duitse vliegtuigen door de blauwe lucht en hoorden we het afweergeschut op de Klitsberg bulderen. We hadden schrik van de Duitsers en ook van eventuele gevechten aan het Albertkanaal. Met pak en zak en te voet verzamelde onze pa zijn gezin om te vluchten, maar waarheen: dat wist hij niet.
Gust was soldaat en was ’s nachts nog thuis. Op zijn fiets wilde hij op 10 mei zijn eenheid nog vervoegen maar hij heeft ze niet meer kunnen vinden Hij is dan maar terug naar Paal gekomen
Ondertussen was het gezin in paniek: ze verzamelden het allernoodzakelijkste en wat eetwaren en ze vertrokken te voet op de vlucht. De eerste dag geraakten ze niet ver. Op de Dalenberg, bij het Weefke (familie Engelen) hebben ze de nacht doorgebracht; de volgende dag ging de tocht tot Bekkevoort en daar sliepen ze in een serre. Verder trokken ze in de richting van Leuven.
Daar vlogen de Stuka’s heel laag over ons. Ze hadden een sirene op de neus van het vliegtuig staan, die een verschrikkelijk hels lawaai maakte en ons schrik bezorgde. Dan vluchtten we allen tegelijk in de grachten of tegen een gevel van een huis. Dan zijn we in Brussel aangeland. Daar woonde een meneer De Schepper en die werkte in de koolmijn van Beringen. Vader had zijn adres. Die zorgde dat we allemaal in het Noordstation op een vluchtelingentrein geraakten. Die reed richting Frankrijk, maar waar naartoe, dat wisten we niet. Regelmatig hield de trein halt, onderweg kregen we eten van het Rode Kruis. Na drie dagen kwamen we aan in het station van Saint Martery. Verder ging de tocht per autobus naar Castaillon in de buurt van Lourdes. Daar werden we ondergebracht in een afgedankt schoollokaal. Het gezin van nonk Henri Leyssens was daar ook aangekomen.
We sliepen op stro, we hadden één deken. De kinderen hebben een beetje les gevolgd in de plaatselijke school, maar het was vlug vakantie. We kregen eten in het dorp van het Rode Kruis, maar dat was soms niet voldoende. Dan ging vader op zoek naar eten bij de boeren. Hij kreeg dan een Frans brood en chocolade.
Het was een klein dorpje. Er was een klein meisje, dat Jeanette heette. Ze had haar been gebroken en daar gingen we soms mee wandelen, in haar rolstoel.
Vader en zijn broer hebben een tijd bij een wijnboer gewerkt, in de druiven. Vader had een fiets geleend en was een keer naar Lourdes gereden.
Einde september kregen we bericht dat we naar huis mochten terugkeren. Blijdschap alom. In beestenwagens zijn we, na drie dagen, in Brussel Noord aangekomen, dan naar Leuven en Diest. Daar is Henri Kennis, een beestenkoopman, ons komen ophalen met zijn vrachtwagen. Thuis gekomen was het een blij weerzien. Broer Gust was bij zijn thuiskomst bij zijn grootvader, Jef Leyssens, gaan wonen. Ze hadden al die tijd in ons huis geleefd, zodat er niets was gestolen.
Ons Louisa moest nu naar het 3de studiejaar gaan maar omdat ze de start van het schooljaar had gemist, moest ze het jaar bij soeur Angelique overdoen.
Tijdens de oorlog hebben we niet echt honger geleden. Vader was mijnwerker en in zijn vrije tijd ging hij nog metselen, om in het allernoodzakelijkste te voorzien voor zijn talrijk huisgezin. We kregen wel steun van Winterhulp. En moeder reed regelmatig de boeren van Geenhout, Brelaar, 't Roth en Meldert af om koren te kopen. Dat werd dan gemalen in de molen van Huygens. Moeder bakte dan zelf brood. We hadden geen weelde en de tijd was niet goed, maar we overleefden.
Jef Vanmol en Margriet Vanroy woonden in de Oude Barrier te Paal. Het mijnwerkersgezin telde op dat ogenblik zeven jonge kinderen: Maria, Frans, Gust, Fons, Cecile, Livinus en Louis.