Al snel wordt duidelijk dat ook het Duitse rijk zich niet voorbereid heeft op een langdurige oorlog. Daarom eist de Duitse militaire overheid in België grote hoeveelheden voedsel op voor de bevoorrading van haar troepen. Opeens dreigt het gevaar dat in de komende winter vele Belgen moeten honger lijden.
In november 1914 verordent de Duitse bezettingsoverheid de eerste voedselmaatregelen.
De Duitse bezetter beveelt twee zaken die ongekend en ongehoord zijn voor een Belg: er wordt een maximumprijs vastgesteld voor voedselproducten.
Erger nog: graan, boter, aardappelen enz... worden opgeëist. De boer mag niet meer vrij de overschot van zijn productie verkopen, hij moet leveren tegen vastgelegde prijzen!
Voor vele gezinnen, zeker in de stad maar ook op de buiten, wordt voedsel bijna onbetaalbaar. Vlees en wit brood verdwijnen van het menu, vijfentachtig procent van de gezinsuitgaven gaan naar voedsel. Boter wordt een fel begeerd smokkelproduct en wordt vervangen door reuzel (gesmolten varkensvet).Zulke maatregelen zetten de Belgische landbouw op zijn kop, maar in feite brengen deze maatregelen op papier weinig op: in een paar maanden tijd stijgt de voedselprijs gemiddeld met 50% én er ontstaat een gigantische zwarte markt.
Er verschijnen kookboeken en brochures over de spaarzame keuken, de mensen krijgen het mooie advies om langzaam te eten, goed te kauwen, het vleesverbruik te matigen en... vrolijk gestemd te zijn tijdens het eten.
De Boerinnenbond, gesticht in 1911, organiseert lezingen en praktijkvoordrachten over de bereiding van soepen, over zuinig koken, over hoenderteelt, de voordelen van het houden van een geit en van konijnen...
De bevolking wordt vindingrijk en nieuwe recepten worden populair: worteltaart, broodpudding, aardappelwafels, oorlogspeperkoek... een oorlogskonijn kon ook wel (pech voor die lieve poes van de buren). Zelfs het aloude stijfsel van Remy wordt gebruikt om soep te binden: immers, dit bestaat voor 100 % uit rijstzetmeel. Ook kastanjes, koolraap, noten, brandnetels, mais, rijst staan opnieuw op het menu, rapen en bieten blijken plots weer voor menselijke consumptie geschikt. Kneipp (gebrande gerst) en cichorei of 'bittere' (gebrande knol van witloof) vervangen de koffie.
Nochtans is dit alles onvoldoende om een hongersnood te voorkomen, alleen door de invoer van Amerikaans voedsel kan de bevolking in België overleven. Dankzij deze Amerikaanse humanitaire steun krijgen de baby's melk van "het werk van de melkdruppel", krijgen de schoolkinderen elke dag een kommetje soep met een broodje, kan moeder met rantsoenzegels enkele producten kopen. Maar de Amerikanen voeren vooral producten uit die ze zelf in overvloed hebben, bv. maïs. Je kan dit eten als polenta, maïzena, verwerken in taarten of zelfs in brood. Maar geef toe, maïs voor een inwoner van Paal: dat is en blijf toch kippeneten!

Weliswaar een spotprent, maar waar rook is ...
België is in 1914 een land dat al tientallen jaren lang het overgrote deel van zijn voedsel invoert. De Belgische boer verbouwt wel rogge, maar eet brood van tarwe die ingevoerd is uit de Verenigde Staten, Canada ... De rogge is bestemd voor het vee, voor de vlees- en melkproductie. Dank zij de invoer van kunstmest, is de productiviteit van de bodem, ook de arme Kempische bodem, flink gestegen.