Voor de Duitsers was het onbegonnen werk om de grens, van Knokke tot Kelmis, te bewaken. In 1915 beslisten ze een elektrische draadversperring aan te leggen om de grens af te sluiten over zijn ganse lengte.
Het werd een versperring van 2 meter hoog, opgebouwd uit 7 draden, telkens 30 cm boven elkaar. De twee buitenste draadversperringen waren opgetrokken uit prikkeldraad, bedoeld als afwering voor dier en mens.
De middelste draadversperring bestond uit een koperen draad, waarop een elektrische stroom stond van gemiddeld 2.000 volt. Elke aanraking met deze raad, zelfs met de haren, was dodelijk, vandaar ook de naam “dodendraad”. Op regelmatige afstanden stonden “Schalthäuser” of schakelhuisjes, houten barakken die dienst deden als schakel- en wachtpost. Van daar uit vertrokken dag en nacht patrouilles en tussenin stonden er nog schildwachten. Ook werden grote zoeklichten opgesteld om de draad te verlichten. Waarschuwingsborden waren bijzonder duidelijk: ”hoogspanning- doodsgevaar” en “wie verder gaat, wordt dood geschoten”.
Op 25 juli 1915 werd dit gigantisch werk onder stroom gezet. De stroom werd geleverd door de fabrieken uit de omgeving, zoals de kruitfabriek van Kaulille en de fabrieken van Balen en Lommel. Verkeer met Nederland werd alleen nog maar onder strenge controle toegelaten. 
De bevolking wist in het geheel niet wat elektriciteit was. Pas in 1920 werd de eerste elektriciteit in Paal Centrum aangelegd.
Het is onduidelijk hoeveel slachtoffers de draad heeft gemaakt. Voorzichtige schattingen spreken over ongeveer tweeduizend doden, of bijna 2,4 slachtoffers per kilometer draadversperring. Alleen al in Achel zouden 17 mensen omgekomen zijn. De helft van de slachtoffers waren Belgen, de anderen: vluchtende
Duitse, Russische en Franse soldaten. Het merendeel van de slachtoffers viel door elektrocutie, terwijl anderen dichtbij de draad neergeschoten werden.
Wie door de grensversperring wilde, zoals boeren met een stuk land over de grens, kinderen op weg naar school of familie, moest een “Passierschein” aanvragen bij de plaatselijke “Ortskommandantur”. Toch bleven de spionagenetwerken operationeel en gingen “passeurs” door met de smokkel van mensen en eetwaren en het overbrengen van brieven.

Allerlei spitsvondige technieken werden bedacht om door deze speciale grensversperring te geraken. In de schuren van de boeren werden versperringen nagebouwd en daarop konden de vluchtelingen oefenen. Men gebruikte wollen dekens om de elektrische draad te isoleren, een houten fietsvelg, een houten ton, ladders en het “passeursraam”: een houten raam, geïsoleerd met rubber, dat tussen de elektrische bedrading werd gespannen en waar de vluchtelingen konden doorkruipen om aan de andere kant te geraken.
Na de oorlog braken boeren uit de omgeving de “dodendraad” af: de dennenpalen en de prikkeldraden werden gebruikt om hun weilanden te omheinen, de koperen draden brachten sowieso goed geld op.
De dodendraad verdween uit het gezichtsveld en, bijna, uit de herinnering. In 2000 werd in Hamont een reconstructie opgericht als monument en als blijk van hulde aan de talrijke slachtoffers. Deze reconstructie van 50 meter aan de Ruiterstraat wordt momenteel vervangen door een waarheidsgetrouwe kopie van 200 meter dodendraad vlakbij de Nederlandse grens. Op Belgische bodem zal een strook van een drietal meter breed worden voorzien met daarop drie rijen palen met draad. De middelste simuleert de dodendraad waarop destijds tot 3000 volt stond.
Nederland slaagde er in zijn neutraliteit te behouden tijdens de Groote Oorlog. België daarentegen leefde onder een bezettingsregime met opeisingen, voedseltekort, Duitse verordeningen die het leven van alledag ontregelden…