de volgende dag werd op zeker één plaats een beetje gevoetbald in het niemandsland. Deze merkwaardige situatie duurde van een paar uur tot zelfs enkele dagen. Men waarschuwde elkaar zelfs als er een aanval zou komen. Ook de lijken in het niemandsland werden geborgen.
De legerleidingen konden dit zeker niet appreciëren en ze dreigden met executie van soldaten die verbroederden: ze zagen dit als desertie en hoogverraad! Evenmin hadden deze verbroederingen een blijvend resultaat, want in het voorjaar begonnen de wederzijdse beschietingen en aanvallen opnieuw ... 
Aan het Belgische front waren tijdelijke bestanden al eerder voorgekomen. Het was voor beide partijen beter wanneer gewonden of lijken uit het niemandsland werden weggehaald. Dat gebeurde dan onder de vlag van het Rode Kruis en op initiatief van de officieren die ter plekke het bevel voerden. Op tweede kerstdag, einde 1914, ontvingen de Belgische troepen bij Diksmuide opnieuw het verzoek tot een plaatselijk staakt het vuren. Aan Duitse kant verscheen een majoor Anderson en die maakte duidelijk dat hij iets wilde overhandigen. Het bleek een monstrans te zijn die afkomstig was uit de kapot geschoten kerk van Diksmuide. Aan Belgische kant waren commandant Lemaire en aalmoezenier Vandermeiren de leiders van de delegatie. De monstrans werd in een zak gestopt en over de dichtgevroren rivier getrokken. Het bestand was kortstondig, maar het was een gebaar van goede wil.
(zie ook het fragment uit het vtm-nieuws onderaan deze pagina en dat uit het vrt-journaal op de site van 'de redactie' )
Een kerstverhaal aan de IJzer Geschreven door Jozef Drijvers, frontsoldaat uit Zelem
Over gans de IJzerstreek hing een grauwe, ijskoude lucht. Dagen achtereen hadden storm en regen met nijdige rukken over het land gezwierd en al de wegen in vettig glibberende modderpoelen herschapen. Moest het nu gaan sneeuwen en vriezen, het ware miserie en winter volop.
Zo liep het eerste oorlogsjaar stilaan ten einde: morgen reeds zou het kerstmis zijn, onze eerste kerstmis op het front.
Ons regiment kantonneerde op dat ogenblik te Egewaertscapelle. In dit vroeger zo stille rustige dorpje heerste thans een ongewone oorlogsbedrijvigheid. Aanhoudend, bij dag en bij nacht, werklonken de dreunende voetstappen der gaande en kerende infanterietroepen. Kanons, munitiewagens, auto’s en allerhande voertuigen beladen met oorlogsmateriaal, ratelden en rotsten onafgebroken over de hobbelige kasseistenen en deden hele kladders modder tegen de huisgevels opspatten.
Niettegenstaande het onprettige, gure weder, kwamen de piotten uit hun stro gekropen en beproefden de pijnlijke stramheid der ledematen van zich af te schudden. In hun schamele versleten uniformen, het hoofd gedoken achter den opgezetten kapotkraag, liepen de meesten doelloos op en af de kleine dorpsplaats. Zij die nog wat geld hadden, voorzagen zich van rookgerief en snuisterijen. Anderen troeppelden in kleine groepjes samen, bespraken den toestand of trokken naar de herberg “het Schaartje Knip” vastbesloten hun laatste centen aan drank te besteden, alvorens terug naar de loopgrachten te trekken. Struise boerinnen, gehuld in wijde kapmantels en vergezeld van blozende jonge dochters, gingen devotelijk kerkewaarts om, naar aloud gebruik, zich in vrome gedachten voor te bereiden tot den hoogdag van morgen.
Ja, ook wij dachten er aan: morgen was het de grote dag: Kerstmis. Uit duizenden monden zal dan weer de vreugdevolle zang der engelen weerklinken: “glorie aan God in den hoge, vrede op aarde aan alle mensen van goeden wille”.
Voor ons zal het echter geen blijde kerstmis zijn. Geen juichende klokketonen zullen ons wenken. Alleen de donderende stem van het kanon zal ons in zijn woede toeblaffen. Het zal voor ons een dag zijn zoals vele andere, een dag zonder vreugde, vol kommer en ellende of erger misschien, want op dien vooravond van kerstmis was het onze beurt om in den sector van Oud-Stuivekenskerke de loopgrachten van eerste lijn te gaan bezetten.
Tegen het vallen van den avond stond onze compagnie dan ook in ’t gelid om voor de zoveelste maal op te rukken naar de vuurlijn. De ‘bloktrein’ dat waren de mannen zonder schoenen en alleen maar klompen, waren reeds een half uur vroeger vertrokken. Na een afmattende tocht, door waterplassen en modderwegen, bereikten we eindelijk de plaats onzer bestemming. Onmiddellijk werd ik aangeduid om met zes man een vooruitgeschoven post te gaan bezetten. Zoekend en tasten, over glibberige loopbrugjes, langs prikkeldraad en obusputten, sukkelden we in den donkere nacht naar de aangewezen plaats. Geen aangename taak stond ons daar te wachten, want geheel de post bestond uit wat opgestapelde zandzakjes met een onder water gelopen schuilplaats en daarbij, als gezelschap, een hele bende vraatzuchtige ratten. Een tamelijk brede strook scheidde ons van de Duitse posten, maar we moesten toch op onze hoede zijn want die ‘loerders’ waren voor geen zier te vertrouwen.
Het eerste gedeelte van den nacht verliep echter kalm, zonder dat er iets roerde. Een scherpe Oostwind, gemengd met fijn sneeuw, blies ongenadig in het gelaat. In onze sjofele kleding stonden wij te klappertanden en te rillen van de koude. Wat we ook deden, we konden ons niet verwarmen. Zo kwam er stilaan een overweldigende moedeloosheid over ons. De onheilspellende stilte van den nacht, het nare gevoel van ellende en ontberingen, het gebrek aan de allerbelangrijkste dingen, daarbij de onzekerheid over het lot van al onze dierbaren, over wie we nooit iets vernamen, drukte loodzwaar op het gemoed.
In dien toestand kwam er een kleine golf van heimwee en bitterheid over mij. Ik wrokte en schold op die lelijke ‘Pruisen’ die al dat leed over ons hadden gebracht. Ik wenste hen wel tot in het diepste putteke van de hel.

Omstreeks middernacht werd ik plots uit dien gedachtengang van bitterheid en verwensingen opgeschrikt. Ik meende gerucht van stemmen gehoord te hebben in de richting van den vijand. Dadelijk namen wij onze voorzorgen, het geweer in aanslag en vast besloten ons uit alle kracht te verdedigen indien de ‘fritsen’ het moesten wagen een aanval te doen. Met spanning verbeidden we de komende dingen.
Opeens stemmengerucht, doch nu veel duidelijker, zelfs verstaanbaar. Wat mocht dat betekenen? Wat gebeurde er toch bij de Duitsers? Stom van verbazing stonden wij thans te luisteren: hetgeen we hoorden waren geen ruwe aanvalskreten doch een zacht, aanslepend, melodieus gezang.
Spoedig kwam ik tot de beseffing dat het de Duitsers waren die op hunne manier ‘Weihnacht’ vierden in de loopgraven. Vredig, kalm en vol wijding, klonk het aandoenlijk gezang door de nachtelijke stilte. Eerst zacht, dan luider en jubelend klonk het over de eenzame IJzervlakte: “Stille nacht, heilige nacht”, om aan de woorden “de redder is daar” als een smeekbede uit te sterven.
Ontroerd en ademloos, niet wetende wat mij overkwam, stond ik te luisteren naar dat heerlijk ongekend gevoel van weemoed en een hoopvol verlangen kwam over mij.
Instinctmatig richtte ik de blikken als in een bede ter hoogte, tot het wonderbare Jezuskindje, dat in dien mystieken nacht bij machte was, vriend en vijand in een zelfde gevoelens van goeden wil en zucht naar vrede te doen opgaan…
