Het begon ’s morgens in de sacristie van de kerk. De drie priesters waren in de kerk aanwezig. De pater wilde zich omkleden om de communie uit te delen. De kaarsen werden aan het altaar ontstoken. Plots werd de deur van het hoofdportaal opengegooid. Een soldaat stormde de kerk in en brulde: “Halt”. De pater vroeg beleefd wat er aan de hand was. De militair gebood Van Merendonck te zwijgen en schreeuwde dat er op zijn kameraden ”geschossen” was vanuit de kerktoren. Gelijktijdig konden buiten schoten gehoord worden, soldaten richtten vanop het plein voor de kerk hun wapen naar de torenspits. De pater en de andere geestelijken werden vastgegrepen en voor het huis van Ernest Vandergraesen (het huis van de huidige koster, Martin Ribus) geleid. Daar werden ze geboeid en naar de parochiezaal gebracht. Onderweg hoorden ze roepen dat men de kerk zou plat schieten. Er werd een kanon aan de ingang van de Kerkstraat (nu de Heldenlaan) in stelling gebracht. Allerlei gedachten spookten door het hoofd van de pater. De kerk mocht niet beschoten worden, dat moest hij verhinderen. In zijn gebroken Duits ging hij naar de officier en vroeg wat dat allemaal te betekenen had. Kijk eens naar boven in de toren, daar zwaait de vijand met een witte doek. En inderdaad, het venster in de toren ging open en dicht. De pater argumenteerde dat het zonlicht erin speelde en dat het witte doek slechts de zon was, die op het glas spiegelde, maar niets hielp. De logische verklaring van de pater werd weggewimpeld, de beschieting van de toren zou uitgevoerd worden. Vastbesloten zijn kerk te redden, argumenteerde en discuteerde de pater als geen ander, maar de Duitsers verloren hun geduld en riepen: ”Mach den Pfarrer kaputt !”.
Gelukkig richtten de Duitsers hun aandacht op het kanon, het eerste schot ging af en raakte even het ornament van de toren. Het tweede schot trof wel raak, precies midden in de toren, boven de galmgaten. De pater schreeuwde: ”Gemeen volk, ’t is niet meer Gott mit uns, maar God zal tegen U zijn” , maar het hielp allemaal niets. Het derde schot ging ook af en vergrootte de opening in de toren. De Duitsers waren tevreden en opgelucht, de vijand was na drie schoten verdwenen . De beschieting hield op en gelukkig stond de toren nog overeind.
Pastoor Vlecken en de pater werden nadien naar Beringen overgebracht, doordat de stad in brand stond werden ze vervolgens naar Diest geleid. Onderweg , aan de Zwarte Ring, mocht pastoor Vlecken terug naar huis keren, hij kon met zijn ziekelijk been moeilijk stappen. De pater werd in Diest duchtig ondervraagd en twee dagen in de hoofdkerk opgesloten. Nadat grondig onderzoek uitgewezen had dat de kogels in Paal afkomstig waren geweest van een Duits geweer en er niemand in de toren was gevonden, werd de pater vrij gelaten. De parochianen waren opgetogen met de behouden terugkeer van hun geestelijke leider, ’s anderdaags werd in de parochiekerk een H. Mis opgedragen uit dankbaarheid. Het gat in de toren werd voorlopig afgedicht met planken en na de oorlog werd het dichtgemetseld door de broers Vital en Clement Henkens. Die herstellingen zijn nog geruime tijd zichtbaar geweest, maar bij de renovatie van de kerk in 1995, werd dit litteken weggewerkt.
Wat was er feitelijk gebeurd ?
De Paalse koster en organist, Henri Reynders, was die ochtend uit nieuwsgierigheid boven in de kerktoren geslopen. Hij had met zijn zakdoek het venstertje proper gemaakt, een rode zakdoek met witte bolletjes, die van heel ver zichtbaar was. Op de Venusberg, op de grens van Paal en Meldert, had een Duitse verkenningspost die bewegingen in de toren opgemerkt en doorgeseind naar de bevelhebber. Deze verkeerde in de waan dat zich daar een verkenningspost van de Belgen verscholen hield en oordeelde dat de kerktoren moest beschoten worden.