De winterprik van midden januari heeft de ondergrond betonhard bevroren. De paden, waar je anders op sommige plaatsen enkeldiep wegzakt in water of modder zijn wat meer begaanbaar. Maar toch komt een goed stel laarzen van pas. Het ijs aan de rand van de vijvers is nog dun. En de kronkelende vlonderpaden glad en glibberig.
De vallei geeft een nog meer surrealistische aanblik dan gewoonlijk. Bomen met dode takken, die tevergeefs naar de hemel wijzen. Dichtgevroren vijvers en beken waar de plantjes lijken op miniatuur ijsboompjes, behangen met rijp.
Een kudde schapen schraapt zijn mager kostje bijeen op een witte weide. Schaarse fietsers, wandelaars en joggers blazen energiek hun witte adem in de kille lucht. Een gehaaste passant zegt me: “’ ’t is toch niet te geloven dat hier bijna geen kat komt, niet?” Schuddebollend vervolgt hij zijn weg en verdwijnt achter de volgende bocht.
En dan plots: een stel vreemdelingen gespot!
Exoten zelfs! En dat op een steenworp van Paal! Ze zijn met zijn twee en spreken een taal, die ik niet begrijp: “Gak! Gak! Gak!”. Ze zijn getooid met
vreemde kleuren. Nooit eerder gezien. Betrapt en opgeschrikt vluchten ze ijlings weg, oostwaarts.
Thuisgekomen brengt het orakel van Apple uitkomst. Het was een stel nijlganzen, schoon van ver, maar verre van schoon zo
blijkt, want vijand van de land- en tuinbouwers: ze eten veel en droppen veel...
Het komt nooit meer goed met Schengen.
Fotostudio Transalberta
19 januari 2016