Voorwoord.
Dankzij mijn interesse van jongs af aan in het verzamelen van documentatie allerlei, zij het van foto‟s, illustraties in albums, nota‟s allerlei over eigen belevenissen, enz. … beschikte ik over dankbare bronnen voor een latere terugblik in, en het herbeleven van “de tijd van toen”.
Jarenlange beproevingen tijdens W.O.II lagen aan de basis voor de titelkeuze over mijn oorlogservaringen , namelijk: “Van mijn 18detot mijn 24ste”.
Het is steeds mijn betrachting geweest voor een zo getrouw mogelijke weergave van zes jaren oorlogsherinneringen, gestaafd met foto’s en fotokopieën van zowel originele als officiële oorlogsdocumenten zoals oproepingsbrieven, verzoekschriften, dwangbevelen met dreigementen en dergelijke meer.
Alles startte in de meimaand, lentemaand 1940, als grasbloeiers en bloesems aan boom en struiken ons wenkten tot genieten van pril ontluikend lenteleven.
Het was de tijd dat nestbouwende zwaluwen onvermoeid af en aan vlogen en als schichten door een half openstaand raam in en uit een veestal flitsten. Het was ook de tijd dat merelwijfjes onverstoorbaar het nest hielden, terwijl de mannetjes van op een boomtak in de buurt lustig hun morgengroet zaten te orgelen.
Zo idyllisch mooi had ook de lentemorgen van 10 mei 1940 kunnen lijken, ware er niet het contrast met het lugubere vooruitzicht, dat achter verre horizonten een nieuwe wereldoorlog naderbij sloop.
Onbezorgd nochtans genoot de nietsvermoedende jeugd nog van sport en spel, terwijl bij volwassenen het pessimisme meegroeide met het lengen der dagen. Dra was het volle ernst en van oorlogsleed zouden weinigen worden gespaard. Mijn eigen belevenissen en die van de leefwereld rondom mij, zouden ons meer dan eens confronteren met pijnlijke ervaringen en schrijnend oorlogsleed.
Voordien werd nochtans de slogan “NOOIT MEER OORLOG” gelanceerd, in ‟t geheugen gegrift en zelfs in steen gebeiteld.
Wie had kunnen vermoeden dat deze nobele woorden zo kort nadien verminkt zouden worden tot “OOIT WEER OORLOG”.
Bij het losbranden van W0II werd alzo in mei 1940 deze “VREDE-boodschap” herdoopt in “WREDE-boodschap”, waarvan mijn relaas start op ….
De dag voordien …
9 mei 1940
‟n Zonovergoten lentedag, een ideaal weertje voor onze traditionele meibedevaart naar één of ander Limburgs Maria-oord.
Zutendaal was de keuze voor 1940 !
De studenten trotseerden hiervoor graag een schommelrit in een gammele stoomtram, een eigentijds vehikel, dat zelfs in die jaren niet zou hebben misstaan in één of ander oudheidsmuseum.
Via een drietal Maaslandse dorpjes, netjes ingeplant midden jeugdig groen van weiden vol bloeiende madeliefjes, stoomden we richting Lanaken. Her en der pronkten enkele hoogstamappelaars als reuzenruikers met een zee van witroze bloesems.
Het ontlokte aan één van mijn medestudenten het commentaar: “hier zal in de herfst nog een appeltje mogen geplukt”, waarop een begeleidende leraar prompt repliceerde: “Jawel, als de Pruis ze maar niet komt schudden.” Dat soort geschud hebben we niet beleefd, maar geschut van een gans ander kaliber zou ons de morgen nadien meesleuren in de harde realiteit van WOII 40-45.
Oorlog en vlucht.
Mechelen aan de Maas, 10 mei 1940.
In de kleine uurtjes van die vrijdagmorgen, werden we in onze slaap opgeschrikt door een ongewoon harde knal en ver geronk van vliegtuigmotoren. Het was de bevestiging van het algemene vermoeden over de lang verwachte Duitse inval in ons land.
Aanzwellend kanongebulder van over de nabije Nederlandse grens, nam elke twijfel hieromtrent weg, het was oorlog.
Nieuwsgierig, angstig en gehaast werd van de slaapzalen naar beneden gerend. Op de speelplaats bleven zowel de directeur als gans het lerarenkorps het antwoord schuldig op onze benauwende vragen over wat er gaande was. Aldra raakten de zenuwen uiterst gespannen en ten einde raad werd verzamelen geblazen in de refter. Hier werd ons meteen een homp brood aangereikt, waarna we ons vliegensvlug mochten klaar maken voor een dubbele marathonvoettocht naar onze verre thuis.
Ik zie me nog bij mijn vertrek in de vroege morgenuurtjes, gepakt en gezakt, met een volle sluitmand kleren en lijnwaad en een opgerolde deken kruislings over de schouders geknoopt.
Terwijl Belgische soldaten zich richting Maas en Zuid-Willemsvaart haastten, ging het bij ons de tegengestelde richting uit naar As.
Vertrokken als een gesloten processiegroep, langzaam uitrekkend in een lange, slordige sliert, werden de eerste kilometers afgemaald aan een tamelijk gezwind tempo.
Naarmate het warmer werd en de afstand groeide, des te pijnlijker werden de voeten en des te zwaarder begon de bagage door te wegen.
Eenmaal As voorbij, waren onze rangen al zodanig uitgedund, dat we amper nog met een vijftal studenten samen voorbij de mijnpoort van Winterslag sloften. Geplaagd door vermoeidheid, dorst en een steeds feller brandende zon, werd onze tocht almaar pijnlijker. Mijn voeten werden gemarteld, mijn schouders en bovenarmen waren murw door het gesleur met mijn bagage. Haast wanhopig sleepten we ons over de schijnbaar eindeloze weg door de heide van Winterslag tot Zonhoven.
In het domein Vogelsanck doken nieuwe obstakels voor onze voeten. Talrijke door het leger gevelde bomen lagen dwars over de weg. Iets verder werd de overbrugging van de beek bij de watermolen opgeblazen. Eindelijk, na een martelgang van haast 13 uren, geraakte ik in Beringen over het Albertkanaal om dan via Katermeer de richting Tervant in te slaan. Op een paar honderd meters van mijn thuis, wachtte mij de grootste ontgoocheling van de dag. Tervant was ontruimd, ik mocht geen stap meer dichter huiswaarts.
Dan maar rechtsomkeer naar Paal-dorp, daar zou ik mijn ouders wel vinden bij familieleden, zo beweerden de soldaten. Maar eens te meer werd ik een ontgoocheling rijker.
Bij familie aldaar kon men alleen bevestigen dat mijn ouders en zussen van daaruit op dooltocht waren vertrokken, richting Zelem bij Diest. Dan maar te voet weer de baan op. Zou er dan toch geen einde komen aan mijn kruistocht op die eerste oorlogsdag?
Gelukkig, bij het invallen van de duisternis, bemerkte ik mijn oudste zus, vlak voor een hoevetje op een paar honderd meters voorbij de spooroverweg in Zelem.
Totaal uitgeput, snakte ik naar nachtrust, maar oververmoeidheid en pijnlijk verhitte voeten beletten mij ook maar één oog dicht te doen tijdens die eerste oorlogsnacht.
Daags nadien werd verder gevlucht, maar nu per fiets, eerst tot Waanrode, om op Pinksterdag verder te peddelen tot Gooik in ‟t Pajottenland.