Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

23 augustus 2022

Van mijn 18de tot mijn 24ste: afl 1 oorlog - Frans Pieters

Frans Pieters is voor de oudere generatie Palenaars een begrip.  Frans was gehuwd met Reine Vandenhove,  zus van de juwelier (“Frans de horlogemaker”) in de Heldenlaan. Hij werd onderwijzer, eerst in de jongensschool van Paal, Bolderberg en later in Tervant,  waar hij opgegroeid was in het talrijke gezin van Hendrik Pieters en Maria Reynders.  Hendrik was zelf ook onderwijzer in Tervant, maar daarnaast fotograaf en nog zoveel meer.
In juni 2008 vertrouwde Frans zijn herinneringen aan de moeilijke oorlogsjaren toe aan het ‘verduldige papier’.  Dochter An gaf ons toestemming voor publicatie.
Frans werd geboren in 1921, was dus goed voor 17 levensjaren toen in mei 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak.  Hij studeerde toen, samen met nog enkele jonge Palenaars, oa. Louis Peeters, voor onderwijzer aan de normaalschool in Mechelen-aan-de-Maas.  Deze laatste kent u beter als Ludo Laagland,  van zijn hand publiceerden we eerder al ‘De Vlucht’,  memoires van bij de bevrijding.

De memoires van Frans Pieters overlopen een periode van ongeveer 6 jaar:  van zijn vlucht voor de aanstormende Duitsers, over zijn krijgsgevangenschap, zijn verplichte tewerkstelling in de mijn, tot zijn eigen legerdienst in 1945.
Nu we zelf ooggetuige zijn van een nieuwe oorlog in Europa, leert dit verslag ons hoe kostbaar de vrede wel is en hoeveel ellende en onrecht een oorlog met zich meebrengt.  Waren we dit vergeten ?

 

Voorwoord. 

Dankzij mijn interesse van jongs af aan in het verzamelen van  documentatie allerlei, zij het van foto‟s, illustraties in albums, nota‟s allerlei over eigen belevenissen, enz. … beschikte ik over dankbare bronnen voor een latere  terugblik in, en het herbeleven van “de tijd van toen”. 

Jarenlange beproevingen tijdens W.O.II lagen aan de basis voor de titelkeuze  over mijn oorlogservaringen , namelijk: “Van mijn 18detot mijn 24ste”. 

Het is steeds mijn betrachting geweest voor een zo getrouw mogelijke weergave  van zes jaren oorlogsherinneringen, gestaafd met foto’s en fotokopieën van  zowel originele als officiële oorlogsdocumenten zoals oproepingsbrieven,  verzoekschriften, dwangbevelen met dreigementen en dergelijke meer. 

kapelAlles startte in de meimaand, lentemaand 1940, als  grasbloeiers en bloesems aan boom en struiken ons  wenkten tot genieten van pril ontluikend lenteleven. 

Het was de tijd dat nestbouwende zwaluwen  onvermoeid af en aan vlogen en als schichten door een  half openstaand raam in en uit een veestal flitsten. Het  was ook de tijd dat merelwijfjes onverstoorbaar het  nest hielden, terwijl de mannetjes van op een boomtak  in de buurt lustig hun morgengroet zaten te orgelen. 

Zo idyllisch mooi had ook de lentemorgen van 10 mei 1940 kunnen lijken, ware er  niet het contrast met het lugubere vooruitzicht, dat achter verre horizonten  een nieuwe wereldoorlog naderbij sloop. 

Onbezorgd nochtans genoot de nietsvermoedende jeugd nog van sport en spel,  terwijl bij volwassenen het pessimisme meegroeide met het lengen der dagen. Dra was het volle ernst en van oorlogsleed zouden weinigen worden gespaard. Mijn eigen belevenissen en die van de leefwereld rondom mij, zouden ons meer  dan eens confronteren met pijnlijke ervaringen en schrijnend oorlogsleed. 

Voordien werd nochtans de slogan “NOOIT MEER OORLOG” gelanceerd, in ‟t  geheugen gegrift en zelfs in steen gebeiteld. 

Wie had kunnen vermoeden dat deze nobele woorden zo kort nadien verminkt  zouden worden tot “OOIT WEER OORLOG”. 

Bij het losbranden van W0II werd alzo in mei 1940 deze “VREDE-boodschap”  herdoopt in “WREDE-boodschap”, waarvan mijn relaas start op ….

 

pieters 0028De dag voordien … 

9 mei 1940 

‟n Zonovergoten lentedag, een ideaal weertje voor onze traditionele  meibedevaart naar één of ander Limburgs Maria-oord. 

Zutendaal was de keuze voor 1940 ! 

De studenten trotseerden hiervoor graag een schommelrit in een gammele  stoomtram, een eigentijds vehikel, dat zelfs in die jaren niet zou hebben  misstaan in één of ander oudheidsmuseum. 

Via een drietal Maaslandse dorpjes, netjes ingeplant midden jeugdig groen van  weiden vol bloeiende madeliefjes, stoomden we richting Lanaken.  Her en der pronkten enkele hoogstamappelaars als reuzenruikers met een zee  van witroze bloesems.  

Het ontlokte aan één van mijn medestudenten het commentaar: “hier zal in de  herfst nog een appeltje mogen geplukt”, waarop een begeleidende leraar prompt  repliceerde: “Jawel, als de Pruis ze maar niet komt schudden.” Dat soort geschud hebben we niet beleefd, maar geschut van een gans ander  kaliber zou ons de morgen nadien meesleuren in de harde realiteit van WOII 40-45. 

 

 

 

 

Oorlog en vlucht. 

Mechelen aan de Maas, 10 mei 1940. 

College002In de kleine uurtjes van die vrijdagmorgen, werden we in onze slaap  opgeschrikt door een ongewoon harde knal en ver geronk van vliegtuigmotoren.  Het was de bevestiging van het algemene vermoeden over de lang verwachte  Duitse inval in ons land. 

Aanzwellend kanongebulder van over de nabije Nederlandse grens, nam elke  twijfel hieromtrent weg, het was oorlog. 

Nieuwsgierig, angstig en gehaast werd van de slaapzalen naar beneden gerend. Op de speelplaats bleven zowel de directeur als gans het lerarenkorps het  antwoord schuldig op onze benauwende vragen over wat er gaande was. Aldra raakten de zenuwen uiterst gespannen en ten einde raad werd verzamelen  geblazen in de refter. Hier werd ons meteen een homp brood aangereikt, waarna  we ons vliegensvlug mochten klaar maken voor een dubbele marathonvoettocht  naar onze verre thuis.

Ik zie me nog bij mijn vertrek in de vroege morgenuurtjes, gepakt en gezakt,  met een volle sluitmand kleren en lijnwaad en een opgerolde deken kruislings over  de schouders geknoopt. 

Terwijl Belgische soldaten zich richting Maas en Zuid-Willemsvaart haastten,  ging het bij ons de tegengestelde richting uit naar As. 

Vertrokken als een gesloten processiegroep, langzaam uitrekkend in een lange,  slordige sliert, werden de eerste kilometers afgemaald aan een tamelijk gezwind  tempo. 

Naarmate het warmer werd en de afstand groeide, des te pijnlijker werden de  voeten en des te zwaarder begon de bagage door te wegen. 

Eenmaal As voorbij, waren onze rangen al zodanig uitgedund, dat we amper nog  met een vijftal studenten samen voorbij de mijnpoort van Winterslag sloften. Geplaagd door vermoeidheid, dorst en een steeds feller brandende zon, werd  onze tocht almaar pijnlijker. Mijn voeten werden gemarteld, mijn schouders en  bovenarmen waren murw door het gesleur met mijn bagage. Haast wanhopig  sleepten we ons over de schijnbaar eindeloze weg door de heide van Winterslag  tot Zonhoven.  

In het domein Vogelsanck doken nieuwe obstakels voor onze voeten. Talrijke door het leger gevelde bomen lagen dwars over de weg. Iets verder  werd de overbrugging van de beek bij de watermolen opgeblazen. Eindelijk, na een martelgang van haast 13 uren, geraakte ik in Beringen over het  Albertkanaal om dan via Katermeer de richting Tervant in te slaan. Op een paar honderd meters van mijn thuis, wachtte mij de grootste  ontgoocheling van de dag. Tervant was ontruimd, ik mocht geen stap meer  dichter huiswaarts. 

Dan maar rechtsomkeer naar Paal-dorp, daar zou ik mijn ouders wel vinden bij  familieleden, zo beweerden de soldaten. Maar eens te meer werd ik een  ontgoocheling rijker. 

Bij familie aldaar kon men alleen bevestigen dat mijn ouders en zussen van  daaruit op dooltocht waren vertrokken, richting Zelem bij Diest. Dan maar te voet weer de baan op. Zou er dan toch geen einde komen aan mijn  kruistocht op die eerste oorlogsdag? 

Gelukkig, bij het invallen van de duisternis, bemerkte ik mijn oudste zus, vlak  voor een hoevetje op een paar honderd meters voorbij de spooroverweg in  Zelem. 

Totaal uitgeput, snakte ik naar nachtrust, maar oververmoeidheid en pijnlijk  verhitte voeten beletten mij ook maar één oog dicht te doen tijdens die eerste  oorlogsnacht. 

Daags nadien werd verder gevlucht, maar nu per fiets, eerst tot Waanrode, om  op Pinksterdag verder te peddelen tot Gooik in ‟t Pajottenland.