De Kerkstraat rond 1910 |
Paal telde in 1910 nauwelijks 2934 inwoners: 1502 mannen en 1432 vrouwen. In datzelfde jaar registreerde men 96 inwijkelingen, 98 uitgewekenen, 113 geboortes en 24 overlijdens. Burgemeester Louis Leopold de Quebedo, een Franstalige edelman van Spaanse afkomst woonde op het ‘kasteeltje’. Pastoor Jan Vlecken, kapelaan Jozef De Wit en pastoor-kruisheer coadjuctor August van Merendonck zorgden voor het geestelijk welzijn van de inwoners in deze periode. |
Die inwoners waren grotendeels Kempische ‘keuterboerkes’: kleine landbouwers met minder dan 3 ha landbouwgrond, 2 à 3 koeien en een paar varkens en schapen. Ze hadden het verre van gemakkelijk in deze zware crisisjaren.
Cox-hoeve in Tervant, gebouwd anno 1760 |
Wel waren er in de verschillende wijken enkele boeren die er bovenuit staken met hun vee, weiden en velden. Iedere wijk kende zo zijn dominante boerenfamilies, ze bezaten een paar koeien en varkens meer, hun boerderijen waren wat groter, hun weiden en velden wat uitgestrekter. In Paalstraat was er de familie Das, in Geenhout Verboven, in Brelaar Kimpen, op Brelaar Heide de familie Vandevenne, in Meelberg Jans en op Tervant Cox |
Toch had iedereen het wel moeilijk om de eindjes aan mekaar te knopen, mislukte oogsten en ziektes bij het vee volgden mekaar op. Voor de kleinere boeren betekende dit armoede en ontbering.
Ook de bodemgesteldheid in Paal was armzalig. De grond bestond hoofdzakelijk uit zandgrond. Zonder voldoende bemesting was de oogst mager. Langs de beken trof men ijzerhoudende ondergrond en werd er turf gestoken om de huizen zo goed als mogelijk te verwarmen.
In 1850 werd er begonnen met de graafwerken aan de oude vaart. Dit gebeurde uiteraard met spade en kruiwagen. Veel mensen van Paal hebben nog meegeholpen aan dit reusachtige werk. Voor de inwoners betekende dit een welgekomen bijverdienste. Sommige kleine boeren konden zich hiervan een paard kopen. Jarenlang hebben de Palenaren dit titanenwerk met hun handenarbeid helpen voltooien .
Ontginning van ijzeroer in Paal |
Daarnaast ontstond vanaf 1861 de ijzerertsexploitatie. De eerste ontginning gebeurde in Paal. Het erts bevond zich op braakliggende grond langs de Winterbeek, het kanaal en de Zwarte Beek. De exploitatie kende al na twee jaar een flinke uitbreiding. Het erts was van goede kwaliteit en werd per schip van Beringen naar Hasselt vervoerd en vandaar per trein naar de smeltovens van Luik. Het werd hoofdzakelijk verwerkt voor spoorstaven. Rond 1900 waren er 86 arbeiders tewerkgesteld. Hun gemiddelde dagloon bedroeg 2 fr. De grote uitbater van het ijzererts was Eduard Christiaens van Beringen. |
Tot kort voor de tweede wereldoorlog werd er ijzererts ontgonnen in Paal, langs de Zwarte Beek. Het was zwaar labeur, maar het betekende ook extra inkomsten voor de inwoners van Paal.
(volgende aflevering: huisvesting en vervoer, de opkomst van de steenkoolmijn)
De Kerkstraat rond 1910
Cox-hoeve in Tervant, gebouwd anno 1760
Ontginning van ijzeroer in Paal