Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

24 september 2014

Geschiedenis deel 22: De bocht van Beringen…

Geschiedenis van Paal - deel 22: De bocht van Beringen…

In 1716 bleek dat de stad Beringen niet de financiële middelen had om een priester in Paal te betalen en onderhouden.  Nochtans was dit een voorwaarde geweest om de zelfstandige parochie Paal terug onder de vleugels van Beringen te brengen.

Pastoor Notelaers voelt dat men in Beringen, noodgedwongen, een bocht begint te nemen.  Hij noteert: ”na de troebelen van die dagen, kwamen onze tegenstanders tot bezinning…”. En verder: “op hun voetstappen terugkeren was pijnlijk en zwaar…”

Maar wat doe je als je geen uitweg meer ziet uit de financiële ramp die de parochie Beringen boven het hoofd hing? De een moest bijdraaien door de Buiting autonomie te geven en de ander moest de eeuwenlang geheven strijdbijl begraven. Alleen zo kon een definitief einde gemaakt worden aan een eindeloze strijd door vrede te sluiten en deze te bezegelen in een overeenkomst tussen de Buiting en Beringen.

Zo ver zijn we echter nog niet; eerst moet er nog verstandhouding en vertrouwen groeien tussen de “oud-strijders”. De twee pastoors-kemphanen beginnen als het ware een “vrijage”, vooraleer tot definitieve afspraken te komen.

Het klinkt bijna ongelooflijk maar op 21 juni 1716 komt Pastoor Driessens van Beringen speciaal naar Paal om er het zoontje te dopen van Willem Notelaers, broer van Pastoor Jan Notelaers en haantje de voorste in de strijd voor een eigen parochie. Op de doopplechtigheid was Pastoor Notelaers peter van de dopeling.

Ondertussen werd er koortsachtig gewerkt aan een soort overeenkomst, een concordaat tussen Paal en Beringen waarin de rechten en plichten van de twee parochies geregeld werden. Het concordaat bezegelde enkele belangrijke compromissen die zowel de Buiting als de “Moederkerk van Beringen” ten goede kwamen.

De Buiting kreeg zijn eigen pastoor maar moest hem zelf onderhouden. Dat was geen punt, aangezien Paal dit van meet af zelf had voorgesteld.

De keuze en de benoeming van de Pastoor van Paal zou gebeuren door de pastoor van Beringen en door de vier burgemeesters van de Buiting. Ieder lid van dit college had één stem. Indien dit vijfkoppig college niet tot een akkoord geraakte, moest de Deken van Beringen het dispuut beslechten.  Noteer wel dat in die tijd de deken van Beringen meestal niet tegelijk Pastoor was.

Uiteindelijk werd Jan Notelaers “met het oog op de publieke rust en vrede”, opnieuw tot eerste Pastoor van Paal benoemd.

Vanaf 17 september 1716 mocht hij in Paal opnieuw beginnen te dopen, in opdracht van pastoor Driessens van Beringen, omdat het concordaat op dat ogenblik nog niet definitief door de kerkelijke overheid was goedgekeurd.

Daartegenover stonden echter belangrijke financiële toegevingen van de Buiting. Beringen kon immers de inkomsten die eeuwenlang van Paal naar Beringen gevloeid hadden (nog) niet missen…

André Luyten (wordt vervolgd)