Dit was het geval bij de 1e uitspraak in 1712 en ook bij de 2 volgende uitspraken. Het waren dus telkens uitspraken onder voorwaarden.
Pastoor Notelaers had op 1 april 1716 een verzoek aan de Pauselijke Nuntius in Keulen gericht waarin hij uitleg vroeg over de uitspraak van de Rota. De Rota nam de vraag ernstig op en stuurde een uitgebreide toelichting bij het arrest naar de Nuntius in Keulen. Hieruit bleek duidelijk dat de Pastoor van Beringen weliswaar een priester mocht benoemen voor Paal, die daar de sacramenten mocht toedienen in de plaats van de Pastoor van Beringen, maar dat deze priester moest betaald worden door de Pastoor en de gelovigen van Beringen en niet door die van Paal.
In Beringen, waar nochtans van oudsher heel wat intellect verzameld zat, had men dat zo nog niet begrepen en ging men gewoon door op de ingeslagen weg.
In Paal was geen priester meer. Vergetelheid, onwil, minachting? Wie zal het nog zeggen?
In het doopregister wordt op 21 mei 1716 genoteerd ”vanaf dezen datum begonnen de heeren van Beringen in Paal te doopen en de ceremonies der aan huis gedoopten te voltrekken…”
Nochtans stond in de toelichting bij het vonnis uitdrukkelijk dat er in Paal een priester moest vertoeven om de sacramenten toe te dienen. Uiteindelijk werd ook dat deel van het vonnis uitgevoerd en er werd in Paal een priester aangesteld.
Je vraagt je af hoe het mogelijk was dat Pastoor Driessens van Beringen en met hem de Beringse notabelen en intellectuelen de andere voorwaarde verbonden aan het ongedaan maken van de afzonderlijke parochie Paal nl. dat Beringen deze priester ook zou betalen en onderhouden, nog altijd niet begrepen hadden.
Jan Notelaers had al veel langer het vermoeden dat Beringen blufpoker gespeeld had, omdat hij wist dat de financiële mogelijkheden van de parochie beperkt waren.
Eindelijk kwam “de financiële kat op de koord”.
Als Beringen daar maar geen kater aan overhoudt!
André Luyten (wordt vervolgd)