Woorden als “véi’er”, “vùi’er”, “ùi’er”, “zóu’er”,… (vier, vuur, uur, zuur) die door de sterke naklank als woorden met 2 lettergrepen klinken heeft het Buitings gemeenschappelijk met Meldert, Lummen en Zelem.
Iets wat volledig exclusief is voor het Buitings t.o.v. de ruimere regio in het noordwesten is de onverschoven Oudgermaanse “sk”. Deze “sk” komt verder ook wel voor in een deel van het Truierlands, een deel van het Getelands in het zuidoosten en een zuidelijk deel van het Lonerlands (zuidelijk West-Limburgs), en een aantal plaatsen verder weg buiten het Limburgse taalgebied.
De “r” staat in woorden in de Limburgse dialecten soms op een andere plaats dan in het Nederlands of soms hebben Limburgse woorden een “r” waar het Nederlands er geen heeft. We gaan hier enkel in op de gevallen waar dit voor het Buitings het geval is (voor verdere uitleg R. Belemans en R. Keulen 2004). Het verschijnsel “afstandsmetathese” waarbij de “l” en de “r” van plaats wisselen in woorden die eindigen op “l” komt ook in het Buitings voor zoals o.a. in ”dölleper, kèllever, ölleger,...” (dorpel, kervel, orgel,…). Een zeldzame keer komt “el” voor in de plaats van “er” zoals in “hoamel” (hamer) in een aantal dialecten in de buurt ook bij “propel, dónkel,…” (proper, donker,...). Het verschijnsel dat men “r – epenthese” noemt, waarbij er een “r” ingevoegd wordt na een onbeklemtoonde lettergreep komt ook voor in het Buitings, zoals in ”kernèèn, kortelet,…” (konijn, kotelet). Omgekeerd komt in de (Belgisch) Limburgse dialecten ook “r -deletie” voor. Hierbij valt de “r” weg. Dit verschijnsel komt in een groter zuidelijk gebied voor van Frans Vlaanderen tot bij ons, maar het aantal gevallen waarbij de “r” wegvalt neemt toe naar het oosten. In het Buitings (en vrijwel heel Belgisch Limburg) valt de “r” weg in “waar, daar, naar, wanneer, niet meer, hier,...”. In het Boëtings is het: “moe’e, doa, nó, fenie’e, nemie’e, héi…”.

Samengevat kunnen we zeggen dat het Buitings enerzijds een deel Brabantse woordenschat heeft, maar deze woordenschat reikt tot in meerdere plaatsen in het West-Limburgse taalgebied. Verder vormt het Buitings ook voor een deel meervouden zoals het Brabants en het Nederlands en situeert het zich ten westen van de betoningslijn. Voor wat de betoningslijn betreft lezen we bij R. Keulen 2011: “Ook in Paal moet een dergelijke oppositie wel degelijk ooit bestaan hebben aangezien sommige klankverschillen enkel te verklaren zijn vanuit een vroegere toonoppositie. De West-Germaanse “oe” en “u” zijn in het A.N. samengevallen en werden een tweeklank waardoor “huis” en “kruis” dezelfde klank hebben. In het overgrote deel van de Limburgse dialecten en het Duits zijn beide klanken niet samen gevallen: in het Duits “Haus” en “Kreuz” en “hoos” en “kröes” (varianten) in o.a. Lummen, Heusden, Zolder…
Nog klanken die zich anders ontwikkelden in het A.N. enerzijds en het Duits en Limburgs anderzijds zijn de gerekte West-Germaanse “a” in een open lettergreep en de oorspronkelijk lange West-Germaanse “a”. In het A.N. vielen ze samen, alsook in enkele dialecten in het noordwesten van Belgisch Limburg. Het gaat hier om woordparen zoals “aap-schaap” en “taal-paal” (de eerste woorden van de woordparen stammen af van een oorspronkelijke korte West-Germaanse a en de tweede woorden van een lange West-Germaanse a). Het Buitings kent hier ook een samenval, “oap-skoap” en “toal-poal” (in Beringen is er hier geen samenval). Zie hiervoor ook “Buitingse klanken (3): oa en öe” (zie paalonline).
Anderszijds situeert het Buitings zich aan de Limburgse kant van de Uerdingerlijn, waardoor het binnen het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied in ruimste zin ligt en verder (net) ten oosten van de Getelijn (zie hiervoor “De Getelijn… revisited (11)” op paalonline), waardoor het nog wat Limburgser wordt. Voor een deel vormt het Buitings ook meervouden volgens een Limburgs systeem. Umlaut komt voor in het Buitings bij verkleinwoorden en afgeleide woorden (zoals “bekker”, “de bekker bakt”). Rekken van klinkers in een gesloten lettergreep is ook een Limburgs kenmerk en komt in het Buitings ook voor (en blijkbaar wat meer dan eerst werd aangenomen). Van de persoonlijke voornaamwoorden die historisch ooit op “-r” eindigden komt er nog één voor in het Buitings namelijk “der” voor zowel de 2de persoon enkelvoud als de 2de persoon meervoud (Standaardduits “er, wir, ihr”, Nederlands “hij, wij, jullie”), zie hiervoor (en voor “rekking” en “umlaut”) “Oe’est West Böetings op ze best (12)”(paalonline). Het Buitings kent ook de “er” (“hij” onbeklemtoond) bijvorm zoals in Lummen, Koersel, Stal, Heusden.
In tekst vertaald naar het dialect van Diest uit de 2de helft 19de eeuw komt de “er” vorm voor en ook in een enquête van rond dezelfde periode voor Beringen blijkt dat Beringen toen de “er” vorm ook nog kende.
In het Buitings ontwikkelde zich de West-Germaanse a/o + l + d/t zich zoals in de meeste Limburgse dialecten. In het A.N. en de meeste Nederlandse dialecten viel de ontwikkeling van a + l + d/t en o + l + d/t samen en werden een tweeklank of lange klinker zoals in “oud, goud, hout, zout”. Het Standaardduits behield de tegenstelling en ook de “l” zoals in “alt, Gold, Holz, Salz”. In het Limburgs viel de “l” weg zoals in het Nederlands, maar werd in tegenstelling behouden zoals in het Duits. Zo ook in het Buitings waar de woorden “oad, good, hoot, zoat” zijn.

Volledig is deze uiteenzetting over het Buitings zeker nie,t maar ruim genoeg om de indeling te verantwoorden. Het Getelands en het Heidelands behoren tot het Limburgs in ruimste zin. Door de situering van het Buitings ten oosten van de Getelijn is het Buitings “Limburgser” dan het Getelands en het Heidelands. Door het niet meer systematisch voorkomen van stoottonen en sleeptonen situeert het Buitings zich ten westen van de betoningslijn waardoor het “afgescheiden” is (samen met Beringen) van het West-Limburgs. Dat het ten westen liggen van de betoningslijn voor een andere regio geen obstakel is om opgenomen te worden in een regio waar de andere dialecten wel betoning kennen, werd reeds aangehaald.
Alles gewikt en gewogen lijkt de opname van de (verkleinde) Beringerlandse regio met Beringen, Paal en Tervant als subregio binnen het West-Limburgs een goed compromis, maar dan zou het ook Truierlands als subregio in het West-Limburgs dienen opgenomen te worden. Voor wie dit problematisch vindt i.v.m. de betoningslijn kan het Beringerlands, zoals nu bij de W.L.D. indeling reeds het geval is voor het Truierlands, als Limburgs georiënteerde West-Limburgse overgangsregio buiten het West-Limburgs geplaatst worden, maar dan wordt er gewerkt met 2 maten en gewichten t.o.v. een andere regio. Op zich is indelen altijd een compromis. Dit zie je als je naar overeenkomsten en verschillen kijkt die het Buitings heeft met omliggende plaatsen die regio- en subregio-overschrijdend zijn.
De hierna volgende kaarten geven de twee aangehaalde indelingen weer die goed aansluiten bij de werkelijke situatie wat de dialecten in het noordwesten van Belgisch Limburg betreft. De benamingen en indeling zijn/is grotendeels overgenomen van de W.L.D. indeling, gecombineerd met de indeling van J. Goossens uit 1965 en eigen bevindingen i.v.m. een aantal opvallende verschillen binnen het Beringerlands, met opsplitsing ervan als gevolg. Bij de eerste indelingskaart werd het Truierlands behouden als eigen regio en ook het verkleinde Beringerlands bestaande uit Beringen, Paal en Tervant. Het Truierlands en het Beringerlands zijn op die kaart West-Limburgs georiënteerde West-Limburgse overgangsgebieden ten westen van het West-Limburgs. Ten westen van het Truierlands en het Beringerlands liggen dan de Brabants georiënteerde West-Limburgse overgangsgebieden Heidelands (in het noorden) en Getelands (in het zuiden). Bij de tweede indelingskaart zijn het Truierlands en het Beringerlands beide opgenomen als eigen subregio binnen het West-Limburgs op dezelfde manier waarop men bij de W.L.D. indeling het Weertlands opneemt bij het Centraal-Limburgs, namelijk zonder naar betoning te kijken. De eerste of de tweede indelingskaart is natuurlijk een keuze, maar beide kaarten lijken een verdedigbaar compromis. Voor het behoud van het dialect maakt het op zich niet zoveel uit.


Robby Vanesch 2023.
Bronnen:
R. Belemans, J. Kruijsen, J. Van Keymeulen: “Gebiedsindeling van de zuidelijk- Nederlandse dialecten” (1998).
J. Goossens: “Die Gliederung des Südniederfränkischen” (1965).
J.L. Pauwels, L. Morren: „De grens tussen het Brabants en het Limburgs in België” (1960).
J. Schrijnen: “Taalgrenzen in Zuidnederland – Het Mich-kwartier” (1907).
M. Ooms: “De oostgrens van de Brabantse dialecten in Vlaanderen” (2000).
R. Belemans, R. Keulen: “Taal in stad en land – Belgisch-Limburgs” (2004).
R. Keulen: “Enkele isoglossen rondom Beringen”, Jaarboek VLDN 13 (2011).
L. Vandermeeren: “Bjë.vels” (1995).
F. Bakker: “Waar scheiden de dialecten in Noord-Limburg? : een dialectometrisch onderzoek naar het gewicht van isoglossen” (2016).
R. Keulen: “De oppositie tussen stoot- en sleeptonen: toch niet (meer) zo algemeen als aanvankelijk aangenomen?”.
P.A. Kerkhof: “Welke taal sprak Karel de Grote en doet dat er toe?”.
M. De Vaan: antwoorden via e-mail op door mij gestelde vragen.
Reeks Nederlandse Dialectatlassen (R.N.D. enquête).
Info taalcommissie paalonline en online woordenboek “Dikke van Pale”.
Enquête Willems 1885 ( voor Beringen en Oostham).
Vertaling “De verloren zoon” naar het dialect van Diest 1844 door J.L. Weesen.
Eigen enquêtes van voor en rond de eeuwwisseling en rond 2015.