Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

17. Indeling van het Buitings en vergelijking met buurdialecten (deel 1)

Onze lokale dialectdeskundige Robby Vanesch probeert in een aantal artikels de plaats van ons Paals/Tervants dialect, het Buitings, binnen het Limburgs en het Oostnederfrankisch te bepalen.  Hieronder het eerste deel van zijn uiteenzetting.

 

Dat het indelen van dialecten een wikken en wegen is van factoren zoals overeenkomsten en verschillen met plaatsen in de buurt werd al eens in een ander stuk aangehaald. Bij dialecten in grensregio’s is het soms nog wat moeilijker. Wat voor een taalkundige een belangrijke factor is kan voor de lokale bevolking van veel minder belang zijn.

A Boëting Oostnederfankisch ruim

Het Buitings is een Limburgs dialect in ruimste zin (tussen Uerdingerlijn, Benratherlijn en taalgrens). In het verleden werd het Buitings ingedeeld in verschillende subregio’s van het Limburgs. In 1965 deelde J. Goossens het in bij het Oostgetelands (Das Südniederfränkische – Einteilungskarte J. Goossens 1965).

image004
Op deze kaart is het Oost-Getelands een gebied dat Paal, Tervant en Beringen bevat in het noorden en via een smalle strook verbonden is met een gebied met o.a. Herk de Stad en Sint-Truiden dat reikt tot aan de taalgrens. In werkelijkheid is deze smalle strook die het noordelijk deel van het Oost-Getelands verbindt met het zuidelijk deel er niet. Het noordelijk deel en het zuidelijk deel samen indelen op basis van hoe ze zich verhouden tot enkele isoglossen is zeker terecht (wat niet wil zeggen dat er geen dialectverschillen zijn). Ten westen van het Oostgetelandse gebied ligt de West-Getelandse regio. Ook hier is op de kaart een noordelijk deel dat bestaat uit Oostham, Heppen, Beverlo en Korspel via een smalle strook verbonden met een driehoek waarvan de westgrens van Schaffen zuid-westwaarts reikt tot aan de taalgrens ten westen van Honsem en de oostgrens van Schaffen zuidwaarts reikt tot aan de taalgrens. Ook hier is er in werkelijkheid geen verbinding tussen het noordelijk deel en het zuidelijker gelegen gebied. Doch ook hier is de indeling van beide regio’s op basis van hoe ze zich verhouden tot enkele voorname isoglossen terecht. Op deze kaart liggen Paal, Tervant en Beringen in het noordelijke deel van de Oost-Getelandse regio. Oostham, Heppen, Beverlo en Korspel liggen hier in het noordelijk deel van de West-Getelandse regio. Qua indeling is er op deze kaart niets aan te merken, enkel dat van beide dialectgebieden de noordelijke en zuidelijke regio’s niet verbonden zijn.
image006image008
Bij de “Gebiedsindeling van de zuidelijk Nederlandse dialecten” in 1998 door R. Belemans, J. Kruijsen en J. Van Keymeulen, waarbij voor de indeling van het Limburgs (W.L.D. indeling, Woordenboek van de Limburgse Dialecten) gekeken werd naar J. Schrijnen 1920, J. Leenen 1947, J.L. Pauwels en L. Morren, J. Goossens 1965 en 1963 (kaart 3), zijn de regio’s niet meer verbonden en krijgen ze een andere naam. De zuidelijke driehoek van het West-Getelands krijgt bij de W.L.D. indeling de naam Getelands. Het zuidelijk deel van het Oost-Getelands krijgt er als naam Truierlands. Het noordelijk deel van beide regio’s neemt men er samen en krijgt als naam Beringerlands. Over het Beringerlands staat er bij de W.L.D. indeling het volgende te lezen: “Tenslotte vormt het Beringerlands binnen het Limburgse gebied een echte overgangszone tussen Limburgse en Brabantse dialecten. Van de dialecten gesproken in Beringen, Eversel, Tervant, Paal, Beverlo, Korspel en Heppen is amper uit te maken of ze meer Limburgs dan wel Brabants getint zijn. Ze werden uiteindelijk als afzonderlijke groep onder het West-Limburgs opgenomen”. Op zich is er op deze uitleg niet aan te merken alleen valt er wel wat meer te zeggen over de interne verschillen in deze regio. Eversel heeft alle kenmerken om opgenomen te worden in de Demerkempische regio van het West-Limburgs met o.a. Heusden, Lummen, Zolder, Koersel, Stal… (gegevens eigen enquête). Oostham had men bij de W.L.D. indeling beter mee opgenomen bij het Beringerlands ook al staan de Limburgse eigenschappen er zwaar onder druk, ze zijn er nog niet volledig verdwenen… Verder had men bij de W.L.D. indeling het Beringerlands beter opgedeeld in een noordelijk en zuidelijk deel zoals op de kaart J. Goossens 1965 het geval is (het noordelijk deel van het Beringerlands valt er in het West-Getelands en het zuidelijk deel in het Oost-Getelands). Hierover verder meer.
image010
In ”Taal in stad en land – Belgisch Limburgs” van R. Belemans en R. Keulen uit 2004 lezen we het volgende over de betreffende regio: “…dat de dialecten van Beringen, Eversel, Tervant, Paal, Beverlo, Oostham, Heppen en Korspel een echte overgangszone vormen met dialecten die half Brabants en half Limburgs zijn. Zij worden bijgevolg wel tot het Limburgse taalgebied gerekend, maar dan als echte grensgevallen”. Hier heeft men Oostham er wel bij genomen. Verder lezen we er: “Van het kleinere Beringerlandse gebiedje dat het westelijk uithoekje van het West-Limburgs vormt, is hierboven al aangehaald dat het sterk naar Brabants neigt, maar toch nog net iets meer Limburgse kenmerken heeft. Van de Truierlandse dialecten die in het zuidwesten aan het West-Limburgse gebied aansluiten, kan ongeveer hetzelfde gesteld worden”. Bij de W.L.D. indeling is men voor de Getelijn uitgegaan van de studie van J.L. Pauwels en L. Morren uit 1960 waarbij Beringen en Paal ten westen van de Getelijn gelegd worden. In een studie van 2 jaar eerder (1958) legt L. Morren Paal en Beringen nog ten oosten van de Getelijn (R. Keulen “Enkele isoglossen rondom Beringen” VLDN jaarboek 13, 2011). Voor een aantal woorden waarvoor J.L. Pauwels en L. Morren in hun studie uit 1960 Beringen en Paal ten westen van de Getelijn leggen had ik twijfels. Die werden versterkt door het artikel van R. Keulen uit 2011. Aan de hand van eigen enquêtes voor Beringen, Eversel, Paal en Tervant en verder door opheldering voor Paal en Tervant door de taalcommissie van paalonline, kwam naar voor dat Paal, Tervant en Beringen ten oosten van de Getelijn liggen (volgens de methode die Pauwels en Morren volgden in 1960). Paal en Tervant liggen net ten oosten van de Getelijn (Tervant zit niet in de studie van 1960, de gegevens voor Tervant komen van de taalcommissie van paalonline), Beringen met iets meer overschot en Eversel met nog meer overschot (gegevens Eversel uit eigen enquête, niet in de studie van 1960). In de studie van J.L. Pauwels en L. Morren hebben Beringen en Paal voor een aantal klanken/woorden opvallende Limburgse vormen. Beverlo, Korspel, Heppen en Oostham liggen duidelijk ten westen van de Getelijn (Korspel, niet opgenomen in de studie van 1960) en hebben ook onderling een aantal klank/woord overeenkomsten die afwijken t.o.v. Paal, Tervant en Beringen. De deling zoals op de kaart van J. Goossens 1965 is dus zeker terecht.
Een combinatie van de kaart van J. Goossens uit 1965 en de W.L.D. indelingskaart 1998 geeft voor deze regio een uitkomst die de werkelijkheid beter weergeeft. Van de W.L.D. indeling nemen we het Getelands (het zuidelijke deel van het West-Getelands J. Goossens 1965) en het Truierlands (het zuidelijke deel van het Oost-Getelands) over. Het Beringerlands van de W.L.D. indeling delen we (terug) op (zoals bij J. Goossens 1965). Het noordelijk deel met Oostham, Heppen, Beverlo en Korspel vraagt een naam. We noemen het Heidelands naar de heidevlakten die er ooit voorkwamen. Het zuidelijke deel met Paal, Tervant en Beringen blijft de naam Beringerlands dragen. Eversel gaat zoals reeds aangehaald over naar het Demerkempens. Het Getelands en het Heidelands liggen ten oosten van de Uerdingerlijn in het Limburgse/Oost-Nederfrankische taalgebied in ruimste zin maar ten westen van de Getelijn en de betoningslijn (stoottonen/sleeptonen). Omdat deze gebieden niet verbonden zijn hebben ze beide een andere naam. Het Heidelands kan gezien worden als een Brabants georiënteerd West-Limburgs overgangsgebied waarbij de Brabantse invloed komt van Kempense dialecten. Over het Getelands kan hetzelfde gezegd worden maar hier komt de Brabantse invloed van Hagelandse dialecten (de regio rond Diest heeft een aantal klanken die afwijken van het zuidelijker deel van de Getelandse regio). Een beetje verder het Limburgse/ Oost-Nederfrankische taalgebied in hebben we dan de Limburgs georiënteerde West-Limburgse overgangsdialecten van de Truierlandse regio (zuiden) en de Beringerlandse regio (noorden). Het Truierlands ligt ten oosten van de Uerdingerlijn en de Getelijn en ten westen van de betoningslijn. Het Beringerlands ligt ten oosten van de Uerdingerlijn en (net) van de Getelijn. Verder ligt het Beringerlands ten westen van de betoningslijn, maar bezit duidelijk sporen van het vroeger voorkomen van betoning (zie R. Keulen 2011).
Bij de W.L.D. indeling is het Truierlands een eigen regio tussen het Getelands in het westen en het West-Limburgs in het oosten. Het Beringerlands (onverdeeld) werd er opgenomen als regio binnen het West-Limburgs. Het lijkt mij logischer om het Truierlands en het kleinere Beringerlands (zuidelijk deel) beiden als eigen regio’s binnen het West-Limburgs op te nemen ofwel beiden als Limburgs georiënteerde West-Limburgse overgangsgebieden te zien. Tegen de eerste mogelijkheid is het niet (meer) voorkomen van betoning een argument tegen. Het voorkomen van betoning neemt men als voorwaarde om binnen het Limburgs in engere zin te vallen. Deze “regel” past men echter niet consequent toe daar de Weertlandse dialecten ook geen betoning (meer) kennen en verder ten westen van de Panningerzijlijn liggen. Hierdoor voldoen ze volgens de “regels” niet aan de voorwaarden om opgenomen te worden bij het Centraal Limburgs. Maar men neemt de Weertlandse dialecten toch op bij het Centraal Limburgs bij de W.L.D. indeling. Ik heb hiertegen geen bezwaar maar dan kan er ook geen bezwaar zijn om het Truierlands en Beringerlands (zuidelijk deel) op te nemen bij het West-Limburgs. Grensoverschrijdend is er ook een regio in het zuidoosten van de Centraal-Limburgse regio waar betoning haar oorspronkelijke functie verloor. Het gaat om Kesselt, Vlijtingen, Wolder, Vroenhoven, Herderen, Riemst, Kanne, Millen, Val-Meer, Zichen-Zussen-Bolder, Eijsden, Moelingen en Gronsveld. Gronsveld ligt in Oost-Limburgs gebied (zie R. Keulen: “De oppositie tussen stoot- en sleeptonen: toch niet (meer) zo algemeen als aanvankelijk aangenomen?”). Karel de Grote sprak “Limburgs” maar van betoning was er toen nog geen sprake (Peter Alexander Kerkhof: “Welke taal sprak Karel de Grote en doet dat er toe?”). Bij de vraag naar de ouderdom van betoning in het Limburgs kreeg ik van Michiel de Vaan als antwoord dat er al bepaalde intonatieverschillen waren voor het jaar 1000 maar dat toonaccenten vermoedelijk pas rond 1200-1300 echt fonologisch zijn geworden (allerlaatst). Onze Limburgse dichter Hendrik van Veldeke (voor of rond 1150 – 1186) kende dus (hoogstwaarschijnlijk) ook geen betoning.
Ik trek het belang van betoning voor de Limburgse dialecten zeker niet in twijfel maar haal dit alles aan om aan te tonen dat het niet (meer) voorkomen van betoning voor de ene plaats gezien wordt als een obstakel om in een regio opgenomen te worden en voor een andere niet.
Aan de andere kant kennen een aantal plaatsen die buiten het Limburgs/Oostnederfrankisch vallen ook betoning. Het gaat om het mich-kwartier rond Venlo en Horst in Kleverlands gebied (zie voor een andere indelingsmethode voor het noorden van Nederlands Limburg: “Waar scheiden de dialecten in Noord-Limburg? : een dialectometrisch onderzoek naar het gewicht van isoglossen” van Frens Bakker uit 2016 ).
R. Vanesch.
image012

Laatst aangepast op 23 februari 2026
Log in om reacties te plaatsen