De Panningerzijlijn vormt de grens tussen het West-Limburgs en het centraal Limburgs.In de plaatsen ten westen en ten noorden van de Panningerzijlijn praat men over “school, schat…”. Ten oosten zegt men “sjool, sjat…”.Een stuk meer naar het oosten, min of meer evenwijdig met de Panningerzijlijn, loopt de Panningerlijn. Deze vormt de grens tussen het centraal Limburgs en het Oost-Limburgs.
“Nog wat verder naar het zuidoosten, min of meer evenwijdig aan de Benratherlijn, loopt de –lijk/-lich-lijn die de grens vormt tussen het Oost-Limburgs en het Oost-Limburgs-Ripuarisch (uitgang –lijk is ten oosten van deze isoglosse verschoven naar –lich).Voor onze regio zijn de betoningslijn en de Getelijn van belang.
De Getelijn ten slotte is een isoglossenbundel van een 40-tal woorden/klankverschijnselen die in 1960 door J.L.Pauwels en L.Morren beschreven werden. De ideale Getelijn is het gemiddelde hiervan.
Volgens beide dialectologen liggen Paal en Beringen aan de westkant van de Getelijn, terwijl L.Morren Paal en Beringen twee jaar eerder nog aan de oostkant situeerde.
De Getelijn volgt het verloop van de Uerdingenlijn tot ze voor Leopoldsburg begint uiteen te rafelen om voor Lummen terug een strakkere bundel te vormen die verder richting taalgrens loopt.
Het verloop van deze lijn volgt min of meer de oude grens tussen het prinsbisdom Luik en het hertogdom Brabant. In het zuiden meer, in het noorden minder.
Onder andere Hechtel, Stal, Koersel, Heusden en Lummen liggen aan de oostkant van de ideale Getelijn.
De Beringlandse dialecten (een onderverdeling binnen het West-Limburgs) waartoe ook het Buitings en het Tervants behoren, doen voor wat de Getelijn betreft dan weer wel en soms weer niet mee met Limburg of Brabant en dit in wisselende verhoudingen per plaats.
De Getelijn vormt de grens tussen het Getelands met het Truierlands in het Zuiden en het Getelands en het West-Limburgs in het Noorden.
Deze grens loopt tussen Schaffen en Paal.
De betoningslijn vormt de grens tussen het Truierlands en het West-Limburgs en is net zo moeilijk te trekken als de Getelijn in het noordoosten van onze provincie. Deze isoglosse vormt de grens tussen het gebied waar men de oppositie stoottoon/sleeptoon kent (ten oosten) en waar niet (ten westen). Het systematisch gebruik van stoottonen en sleeptonen komt in het dialect van Paal en Tervant (en ook o.a. Beringen) niet meer voor. Er zijn echter bepaalde klankverschijnselen die erop duiden dat dit systeem er ooit wel voorkwam
Dialectologisch ligt de Buiting dus weer maar eens aan een grens, de 2de al.
De vraag blijft echter: hoe komen die “taalgrenzen” er aan de rand van ons dorp?
Onze zoektocht naar de oorsprong van ons specifiek dialect belooft boeiend te worden…
Robby Vanesch
