“De Buiting was een schilderachtig dorp, gelegen op de grens van het Hageland en de Kempen, met golvende heuvels en donkere dennenbossen. Daaromheen een groene gordel van zompige weilanden waar ’s zomers de zeisen zongen bij avondrood en morgendauw. Het was een magere zandstreek met arme mensen. Eertijds een “kolonie” van het naburige stadje Beringen, dat een vredegerecht, een college en een wekelijkse markt bezat, een dokter en een deken en daardoor ook meer pretentie. Althans volgens die van de Buiting. En als er al iets was waar die van de Buiting niet tegen konden, dan was het wel dit laatste, d.w.z. sjiekdoenerij en zogezegd voorname maniertjes. Ze vonden het spijtig dat je een dikke nek niet op kon hangen, omdat de strop hem steeds over de oren glijdt.
Toch waren het geestige mensen op de Buiting. Hoe armer de grond, hoe rijker de geest. Zij waren vinnig en rad van tong en als reactie op de overdreven maniertjes van de “stedelingen”, een beetje boers en brutaal. Daar ze zich op hun schrale grond het zweet uit hun lijf werkten, hadden zij meer dorst dan honger en was er om de drie huizen een herberg. Niettegenstaande zij arme Kempenaars waren, hadden zij iets van de Bourgondische rondborstigheid van de Brabanders, hun naaste buren. Met de twee officiële kermissen per jaar kwamen zij daarom bijlange niet toe. Elk gehucht en er waren er wel vijf, bezat zijn patroonheilige, zijn gilde en zijn jaarfeest.Twee plus vijf is zeven. Maar zelfs dat volstond niet. De ruimtes er tussenin werden opgevuld met Vlaamse Kermissen.Als zij gedronken hadden waren het muilemannen en vechtersbazen. Maar zij mengden hun bier met wijwater. De kerken zaten de zon- en feestdagen voller dan de danstenten. Er zaten
niet enkel geestige maar ook buitengewoon originele mannen op de Buiting. Zonderlinge kerels, zoals Carolus Leonardus Petermans, Pietermenneke in de volksmond.Hij had zijn naam niet gestolen. Geld gaf hij niet uit. Hij potte het op in aarden kruiken, die hij, wie weet waar, verstopte of begroef. Papieren geld aanvaardde hij niet. Daar waren de muizen te zeer op verzot.
Pietermenneke was ne vuile pottefèèr omdat hij zich nooit waste. Hij trok elk jaar in de goede week wel een proper hemd aan maar hij trok er nooit een uit. Hij liep rond met wel vier ,vijf hemden over mekaar. Het vuilste droeg hij als onderste. Dat viel op de duur gans afgedragen en versleten van zijn lijf, in stukken en flarden door zijn broeksepijpen naar buiten. Van zijn verweerd gezicht waren enkel zijn arendsneus en zijn pientere, lichtblauwe ogen te zien. De rest was baard en haar. De ogen van Pietermenneke hadden iets van het water van Noorse fjorden.Hij droeg manen als een leeuw en hij liep doorheen de vier seizoenen in een afgedragen kaki soldatenuniform en met een oude deukhoed op die hij hier of daar gekregen had.Hij leefde trouwens volledig van de krijg en was het wandelend bewijs dat de leliën des velds en de vogelen des hemels gelijk hadden”.
Uit ROESKE, een geschreven portret van Ludo Laagland, uitgegeven ter gelegenheid van zijn 80e verjaardag, in november 2003.
Ludo Laagland (1923-2006), was niet alleen een uitmuntend in Paal geboren en getogen schilder, hij was ook schrijver, begenadigd verteller en auteur van verschillende dichtbundels. Laagland schreef alsof hij schilderde met taal. Zijn verhalen ademen vitalisme, humor en optimisme.