- Het hier elke dag sneeuwt. (Selena)
- Het hier leuk is. (Febe)
- Er veel sneeuw ligt. (Fien)
- Het eten lekker is. (Ela-Nur)
- Ik al meer dan 10 potjes choco heb gegeten. (Vinc G)
- Ik het skiën heel leuk vind. (Lars)
- Het tuben heel snel gaat. (Vince V.)
- Ik bij het tuben uit de bocht ben gevlogen. (Milan)
- We vandaag naar de zoutmijn gaan. (Lionel)
- Er heel hoge bergen zijn. (Zita)
- De skimonitoren gisteren blauwe haren hadden? (Nora)
- De skimonitoren voor ambiance kunnen zorgen? (Lise V.)
- We vandaag gaan shoppen? (Ella)
- Mijn brief onderweg is? (Lara)
- Het nu heel hard sneeuwt? (Norah)
- We gisteren een leuke avond hebben gehad? (Annalisa)
- Ik al bochten kan nemen? (Kylie)
- De tijd sneller gaat op sneeuwklassen? (Daan D)
- We een balkon hebben in onze kamer? (Rune)
- We al tot de tweede paal gaan met de skilift? (Lander)
- Ik al goed kan skiën? (Lowie)
- De skilift 6 palen heeft? (Daan Vsl)
- Er veel trofeeën staan in de eetzaal? (Ferre)
- We al veel gepresident hebben? (Dries)
- Ik nog niet van de skilift ben gevallen? (Taïssa)
- Juf Heidi mij in de sneeuw heeft gegooid? (Alicia O.)
- De zoutmijn zouter is dan de Oceaan? (Yuna)
- Het vanavond casinoavond is? (Merel)
- We gisterenavond lekkere broodjes hebben gegeten? (Lenthe)
- We al veel dingen hebben gedaan? (Jasper)
- Bert de beste skimonitor is? (Roan)
- Ik al dikwijls ben gevallen? (Frederico)
- Ik al goed kan skiën en al tot aan de 4de paal ben geweest? (Cian)
- We een iglo met een poort hebben gebouwd? (Niels)
- Er veel prijzen te winnen zijn op sneeuwklassen? (Lise M.)
- Ik hier toch al goed gegeten heb? (Sienna)
- De busrit heel lang was?(Tess)
- Je iglo’s maakt van sneeuw? (Neel)
- Ik het hier heel leuk vind? (Thibe)
- We in een hotel zitten? (Warre)
- Ik het hier heel plezant vind? (Elouise)
- Je een heel mooi uitzicht hebt in Oostenrijk? (Margot)
- De frietjes lekker waren? (Sharon)
- De sneeuw hier goed ligt? (Elin)
- Er morgen 40 cm sneeuw valt in Oostenrijk? (Nathan)
- Je moet skiën op skilatten? (Bram)
- De monitoren leuk zijn? (Benne)
- Het op de kamers heel warm is? (Daan St.)
- Het de laatste sneeuwklassen van meester Edwin is? (Caz B.)
- We contact hebben met onze onderburen? (Erdem)
- Je een helm moet dragen tijdens het skiën? (Levi)
- Goed kunt slapen in Oostenrijk? (Mats)