Beluister hier de aflevering, ingesproken in het Buitings:
In Paal dorp vlogen er vroeger bij de eerste schemering vreemde vogels, als van boom naar struik, van kroeg naar café. Eén van de meest onopvallende vogels, zo onopvallend dat hij wel moest opvallen, was Remieke, gedoopt als Remy Diepvens.
Remieke was klein van gestalte en altijd gekleed in een grijze stofjas. Op zijn kwiek kopje droeg hij zo’n pots, nu totaal uit de mode, maar in de jaren ‘30, ‘40, ‘50 de kroon van de gewone werkmens.
Die pots, ja, je kunt ze nog kopen, google maar eens op Franse baskenmuts of baret. Ze had zo’n kenmerkend tsjoepke bovenop en is in onze streken beland met de Franse mode. Onze boeren droegen een klak, de mijnwerkers een pots. Kwestie van je stand hoog te houden. Heel even is die baret zelfs in de vrouwenmode beland, maar zoals dat met vrouwengoesting gaat, was dat rap voorbij.
Nu, waarom we dat vertellen, Remieke zal wel een van de laatsten geweest zijn in het dorp die je aan zijn onafscheidelijke pots opmerkte. De even onafscheidelijke stofjas herinnerde aan zijn loopbaan als hulpje van de veekoopman. Om een ons onduidelijke redenen droeg die beroepsklasse, net zoals de schoolmeesters, steevast een stofjas, ne kaspesjèèr in ‘t Buitings.
Wie het gebruik van wie afgekeken heeft weten we niet, maar het zal wel met de stok te maken hebben die ze hanteerden om het onwillige vee tot de orde te dwingen.
Zelf naar school gaan, dat deed Remieke niet zo graag. Geboren op 28 februari 1901 als jongste in het gezin van Frans Diepvens-Evers moest hij naar de klas in het oude gemeentehuis van Paal, bij figuren als meester Smeets en meester Marx. Haagschool was veel plezanter en Remy deed niks liever dan thuis de koeien hoeden.
Toen hij oud genoeg was ging hij zoals wel meer jongens van de Buiting in het Luikse werken, de metallurgie betaalde goed. Daar moet Rémy toch een paar woorden Frans opgestoken hebben, dat kwam goed van pas voor zijn uiteindelijke roeping. Veehandelaar Raymond Frederix schakelde hem in als zijn knecht bij de aan- en verkoop van koeien en kalveren.
De vader van Raymond had vroeger een slagerij aan de Paalsesteenweg en achter in de tuin kreeg Rémy een huisje waar hij de rest van zijn leven gewoond heeft. Hij werd de vaste verzorger van Raymond zijn duiven, die tot ver buiten Paal geroemd werden voor hun kwaliteiten.
Tijd voor de liefde heeft Remieke nooit gehad, tenzij voor een blonde van 25cl. Remy was vertrouwd gezelschap in heel wat cafés in Paal centrum. Niemand had ooit last met hem, stil en teruggetrokken in een hoekje van de toog genoot hij van zijn pintje. Als je dan met hem in gesprek raakte, brabbelde hij een paar onverstaanbare woorden in Koeterwaals. André Luyten beschrijft dat in zijn boek “Bekende Palenaren” als “Paris ou niks”, maar wij betwijfelen of Remy dat zei. We herinneren het ons als een fonetisch “Passi da mẽn” of iets dergelijks.
C’est passé demain ? Het klonk wel bezwerend. Wie het zich beter herinnert mag ons bellen. In het Buitings astembléif.
Remieke overleed op 16 juni 1989, maar zoals het spreekwoord zegt, legends never die. Het ga je goed, kleine vriend.


Remieke wachtend op de duiven van Raymond Frederickx. Remieke op zijn 80ste verjaardag bij Raymond en Margriet.


tot slot, portret van Remieke vereeuwigd door onze huiskunstenares J.d.Q.