Deze website gebruikt cookies

Deze website gebruikt zoals de meeste website cookies om uw bezoek zo aangenaam mogelijk te maken. Wij respecteren hierbij uw privacy maximaal. Indien u verder gaat naar de website staat u de plaatsing van cookies toe. Meer info over ons cookiebeleid - klik hier. -

De plaats van het Bœtings in het Beringerlands Speciaal

Over het feit dat het Bœtings binnen het Limburgse taalgebied in ruimste zin ligt bestond nooit twijfel. Hoe men het Bœtings soms situeert binnen het Limburgse taalgebied, dat men ook Oostnederfrankisch (omdat men het in het Nederlandse taalgebied west – oost kijkt) of Südniederfränkisch (omdat men het in het Duitse taalgebied noord – zuid kijkt) noemt, doet het Bœtingse plat niet altijd eer aan. Er werden al eens verkeerde dingen over het Bœtings verteld of er waren nog zacht uitgedrukt oppervlakkige observaties i.v.m. het Bœtings.

Binnen het Limburgse taalgebied zijn er naast algemeen voorkomende eigenschappen ook een aantal verschillen. Een aantal isoglossen (isoglosse = grenslijn van een taalverschijnsel) begrenzen zo interne dialectregio’s binnen het Limburgse taalgebied. Twee van deze interne isoglossen lopen door Groot-Beringen waardoor niet al de deelgemeenten aan dezelfde kant ervan liggen.

image001In 1965 beschreef J. Goossens “Die Gliederung des Südniederfränkischen” met de bij het artikel horende “Karte 2: Das Südniederfränkische – Einteilungskarte” de interne indeling binnen het Limburgse taalgebied. Op deze kaart zien we dat het noordwesten van het Limburgse taalgebied 2 regio’s heeft namelijk het noordelijk deel van het West-Geteländisch en het noordelijk deel van het Ost-Geteländisch. In werkelijkheid zijn deze 2 regio’s in het noorden niet verbonden met de zuidelijke regio’s binnen het Limburgse taalgebied met dezelfde naam, maar de opdeling die gemaakt wordt in het noordwesten (en zuiden) is zeker terecht. Beringen, Paal en Tervant vallen binnen het Ost-Geteländisch. Beverlo, Korspel, Heppen en Oostham vallen in het West-Geteländisch. Koersel en Stal vallen binnen het West-Limburgs. De regio’s West-Geteländisch en Ost-Geteländisch vormen op de kaart het Südbrabant-Westlimburgisches Übergangsgebiet. Hier wordt nog op teruggekomen.

 

 

 

 

image003

Bij de W.L.D. – indeling (Gebiedsindeling van de zuidelijke Nederlandse dialecten – R. Belemans, J. Kruijsen, J. Van Keymeulen 1998) neemt men het Bœtings op in het Beringerlands. Voor de indeling van het Limburgse taalgebied keek men bij de W.L.D. – indeling naar: J. Schrijnen – “De isoglossen van Ramisch in Nederland” (1920), J. Leenen – “Limburgse klankgrenzen” (1947), J.L. Pauwels en L. Morren – “De grens tussen het Brabants en het Limburgs in België” (1960), J. Goossens – “kaart 3, 1963” en J. Goossens – “Indelingskaart van het Zuidnederfrankisch” (1965). Bij de W.L.D. – indeling neemt de noordelijke regio van het West-Geteländisch en de noordelijke regio van het Ost-Geteländisch samen en geeft deze samengestelde regio de naam “Beringerlands”. Oostham laat men er echter uit weg en Eversel neemt men er mee in op. Op basis van de isoglossen die men gebruikt om het Limburgse taalgebied te definiëren en intern op te delen zou Oostham mee in het Beringerlands moeten zitten en Eversel er niet in opgenomen mogen zijn (hierover verder meer). Over het Beringerlands staat er bij de W.L.D. – indeling het volgende te lezen: “Tenslotte vormt het Beringerlands binnen het Limburgse gebied een echte overgangszone tussen Limburgse en Brabantse dialecten. Van de dialecten gesproken in Beringen, Eversel, Tervant, Paal, Beverlo, Korspel en Heppen is amper uit te maken of ze meer Limburgs dan wel meer Brabants getint zijn. Ze werden uiteindelijk als afzonderlijke groep onder het West-Limburgs opgenomen”. Zoals reeds werd aangehaald had hier op basis van het oorspronkelijke dialect ook Oostham in moeten opgenomen zijn. Met de stelling dat het “amper uit te maken is of ze meer Limburgs dan wel Brabants getint zijn” ben ik het niet eens. De opdeling van deze regio bij J. Goossens (1965) in West-Geteländisch en Ost-Geteländisch geschiedde niet zo maar… In “Taal in stad en land – Belgisch-Limburgs” van R. Belemans en R. Keulen (2004) staat er over het Beringerlands het volgende: “Om de scheidingslijn tussen Brabants en Limburgs in het westen van Limburg compleet te maken, kan ook nog vermeld worden dat de dialecten van Beringen, Eversel, Tervant, Paal, Beverlo, Oostham, Heppen en Korspel een echte overgangszone vormen met dialecten die half-Brabants en half-Limburgs zijn. Zij worden bijgevolg wel tot het Limburgse taalgebied gerekend, maar dan als echte grensgevallen”. Hier neemt men terecht Oostham mee op maar ook nog steeds onterecht Eversel. De genoemde dialecten zijn ook niet zomaar 50/50 Brabants/Limburgs. Er zijn onder de genoemde dorpen enkele met een dialect waar de beschrijving voor voldoet, maar er zijn ook dialecten die voor het overgrote deel gewoon West-Limburgs zijn.

image006Verder lezen we bij R. Belemans en R. Keulen (2004): “Van het kleiner Beringerlandse gebiedje dat het westelijk uithoekje van het West-Limburgs vormt, is hierboven al aangehaald dat het sterk naar het Brabants neigt, maar toch nog net iets meer Limburgse kenmerken heeft”. Hier stelt men het iets genuanceerder. Binnen het Beringerlands van de W.L.D. – indeling is er toch duidelijk een noord/zuid tegenstelling zoals op de indelingskaart van J. Goossens uit 1965. De Getelijn is toch een belangrijke isoglosse loopt door het Beringerlandse gebied. Beverlo, Oostham, Heppen en Oostham liggen ten westen van de Getelijn. Beringen, Paal, Tervant en Eversel liggen ten oosten van de Getelijn. Beringen, Beverlo, Korspel, Paal, Tervant, Heppen en Oostham liggen ten westen van de betoningslijn. Betoning is er niet meer systematisch. Eversel ligt ten oosten van de Betoningslijn waardoor Eversel thuis hoort in het West-Limburgse Demerkempens met o.a. Heusden, Lummen, Koersel, Stal,…

 

 

 

Er zijn nog 2 belangrijke grenzen die samen lopen met de Getelijn in deze regio. De eerste is de manier waarop de West Germaanse “o” en “a” voor een “l” gevolgd door een “d” of “t” zich ontwikkelde. Het Duits behield hier de oude toestand: “Gold, Holz, Salz, kalt, alt”. In het Nederlands ontwikkelden beide zich tot dezelfde tweeklank: “goud, hout, zout, koud, oud” en de “l” viel er weg (vocalisering van “l”). Het Limburgs behield in eerste plaats de oude toestand zoals in het Duits maar verloor na verloop van tijd de “l” (in het grootste deel van het Limburgse taalgebied): “good, hoot, zoat, koad, oad” in het Bœtings.

Nog een belangrijke grens die in deze regio samenloopt met de Getelijn is hoe zich de gerekte korte West Germaanse “a” in een open lettergreep en de oorspronkelijk lange West Germaanse “aa” zich ontwikkelden. In het Nederlands evolueerden beide tot dezelfde klank waardoor er geen verschil meer is in uitspraak in woorden als: “aap – schaap”, “maag – vraag”, “taal – paal”, “laat – laten” … De “aa” in het 1e woord van de woordparen stamt af van een oorspronkelijk korte West Germaanse “a” en deze in het 2e woord van de woordparen van een oorspronkelijke lange West Germaanse “aa”. In de meeste Limburgse dialecten (en oostelijk Nederlandse dialecten) werd het verschil bewaard. Volledige samenval zoals in het Nederlands is er in Belgisch Limburg enkel in het noordwesten: namelijk in Tessenderlo, Kwaadmechelen, Oostham, Heppen, Beverlo, Korspel, Leopoldsburg, Kerkhoven, Stevensvennen en Lommel. Voor Beverlo en Korspel is dit echter niet altijd het geval. De veel gebruikte voorbeeld woordparen “aap – schaap” en “taal – paal” zijn voor het Bœtings wat ongelukkig. Hier kent het Bœtings samenval terwijl dit in de meeste andere gevallen niet zo is.

Op basis van hier bovenstaande gegevens is een opdeling van het Beringerlands van de W.L.D. – indeling zoals bij de indeling op karte 2 van J. Goossens (1965) gerechtvaardigd. Omdat de zuidelijke en noordelijke regio’s van het West-Geteländisch en Ost-Geteländisch in werkelijkheid niet verbonden zijn, werd gekozen voor andere benamingen voor de noordelijke regio’s van deze gebieden. De benaming Beringerlands was nooit echt populair in het noordelijk deel van deze regio, zo bleek. Daarom werd gekozen voor de naam “Heidelands” voor deze regio die bestaat uit Beverlo, Korspel, Heppen en Oostham. De benaming Beringerlands blijft behouden voor Beringen, Paal en Tervant. Dit is te rechtvaardigen vanuit historische redenen.

Het Heidelands: dit is de noordelijke West-Limburgse overgangsregio in het noordwesten van het Limburgse taalgebied. Deze regio bestaat uit Beverlo, Korspel, Heppen en Oostham. Deze regio kent een aantal algemeen Limburgse kenmerken en een aantal algemeen West-Limburgse kenmerken. Daarnaast is er ook duidelijk invloed van het Brabants (Kempische dialecten). Deze regio heeft ook een aantal onderlinge klankovereenkomsten die niet aanwezig zijn in het Beringerlands. Binnen het Heidelands is er ook wat variatie. Zo hebben Heppen en Oostham de Limburgse “ooch” – vorm verloren en zegt men er “ok” voor “ook”. Bijna overal staan de Limburgse vormen onder druk, maar vooral in Oostham en Heppen is dit zeker het geval. Als er geen heropleving komt van de Limburgse vormen en deze er in het dialect niet terug consequent gebruikt gaan worden, zullen deze plaatsen voor het Limburgse taalgebied in ruimste zin (tussen Uerdingerlijn, Benratherlijn en taalgrens) verloren gaan en volledig ver-Brabantsen.

Het Heidelands ligt ten oosten van de Uerdingerlijn waardoor het in het Limburgse taalgebied in ruimste zin ligt de vormen voor “ik”, “mij”, “u”, “uw” en “uwe” zijn er in het oorspronkelijke dialect “ich”, “mich” (beide algemeen Limburgs), “óch/oech”, “oer” en “oerre” (alle 3 algemeen West-Limburgs). Verder rekt men er ook klinkers in gesloten lettergrepen (Limburgs kenmerk) en kent men er umlaut in 3 van de 4 gevallen, zoals dit kan voorkomen in het Limburgs (zie kader). De “der” vorm voor “jij”/”jullie” onbeklemtoond (noordwest-Limburgs) komt ook voor in Beverlo, Korspel en Heppen. Voor Oostham waren hier geen gegevens beschikbaar. Beverlo en Korspel kennen verder ook 2 soorten van Limburgse meervoudsvorming, namelijk meervoud op uitgang “-er” en het uitgangloos meervoud. Voor Heppen en Oostham waren hiervoor geen gegevens beschikbaar. De “er” – vorm onbeklemtoond voor “hij” komt blijkbaar niet (meer) voor in Heppen en Oostham. Voor Beverlo en Korspel kwam ik deze vorm wel een enkele keer tegen. Dit wijst erop dat deze vorm er ooit wel gebruikelijk was. Systematische betoning komt niet meer voor in het Heidelands maar er zijn wel sporen die erop wijzen dat dit ooit wel het geval was. Het rekken van korte klinkers in een gesloten lettergreep, ook iets typisch Limburgs, komt in deze regio ook voor. Van het Getelands (W.L.D. – indeling) kan hetzelfde gezegd worden als over het Heidelands. Dat is ook een West-Limburgse overgangsregio met Brabantse invloed van de Hagelandse dialecten. Beide regio’s liggen ten westen van de Getelijn.

Het Beringerlands: deze regio heeft logischerwijs al de algemeen Limburgse en algemeen West-Limburgse eigenschappen die het Heidelands kent. Wat de “er” – vorm betreft (“hij” onbeklemtoond) waren er geen recente bronnen voor Beringen. Deze vorm kwam er ooit zeker voor. Eind 19e eeuw werd deze vorm er nog opgetekend. In Paal en Tervant komt deze vorm nog voor. Dat er binnen het Beringerlands enkele opvallende verschillen bestaan valt niet te ontkennen. Paal en Tervant hebben enkele opvallende klanken gemeenschappelijk met o.a. Lummen, die verschillen van Beringen. In het Bœtings werd de “-sk-“ behouden, het werd er geen “-sch-“. Het Beringerlands heeft naast de Limburgse eigenschappen die het Heidelands kent ook nog verdere Limburgse/oostelijke eigenschappen.

Voor de manier waarop de “a” en “o” gevolgd door “l” voor een “d” of “t” zich ontwikkelde doet het Beringerlands mee met Limburg. Ook voor de manier waarop de gerekte West-Germaanse “a” in een openlettergreep en de oorspronkelijke lange West-Germaanse “aa” zich ontwikkelden doet het Beringerlands mee met Limburg. Deze 2 ontwikkelingen en de situering ten oosten van de Getelijn (samen met de andere Limburgse kenmerken) maken van het Beringerlands een regio die toch heel West-Limburgs overkomt. In het zuiden kan van het Truierlands min of meer hetzelfde gezegd worden als over het Beringerlands. Voor wat de betoningslijn betreft zijn er duidelijke sporen dat betoning ooit voorkwam in het Beringerlands. Voor het Bœtings lezen we bij R. Keulen (2011): “Ook in Paal moet een dergelijke oppositie wel degelijk ooit bestaan hebben aangezien sommige klankverschillen enkel te verklaren zijn vanuit een vroegere toonoppositie. Zo hebben de woorden met klankwettige sleeptoon die teruggaan op een West-Germaanse î zich in Paal ontwikkeld tot [e:], die met klankwettige stoottoon tot [ai], vgl. bijv. [be:tə] ‘bijten’, [pe:p] ‘pijp’, [re:k] ‘rijk’ enz. tegenover [pain] ‘pijn’, [vrai] ‘vrij’, [drai] ‘drie’… Hetzelfde geldt voor de representanten van de West-Germaanse û, die zich in Paal ontwikkeld hebben tot een lange monoftong in klankwettig sleeptonige woorden en tot een diftong in klankwettig stoottonige woorden, vgl. bijv. [brœ:n] ‘bruin’, [hœ:s] ‘huis’, [slœ:te] ‘sluiten’ enz. tegenover [daif] ‘duif’, [draif] ‘druif’, [plaim] ‘pluim’, [laiə] ‘luiden’ enz.”.

image007Ook voor het ooit vormen van meervoud door middel van umlaut in de Beringerlandse regio zijn er aanwijzingen. Het verkleinde Beringerlands (Beringen, Paal en Tervant) opnemen als regio binnen het West-Limburgs is zeker te rechtvaardigen, ook al omdat men de Weertlandse dialecten in het Centraal-Limburgs opneemt ondanks het feit dat deze dialecten ook geen systematische betoning meer kennen. In het noordwesten van het Limburgse taalgebied hebben we dus het Heidelands als West-Limburgse overgangsregio. In het zuidwesten hebben we het Getelands als West-Limburgse overgangsregio. Beide regio’s hebben ondanks Brabantse invloed toch een aantal opvallende Limburgse kenmerken en door hun situering ten oosten van de Uerdingerlijn vallen beide regio’s in het Limburgse taalgebied in ruimste zin. In het noordwesten is er dan verder nog de Beringerlandse regio. Deze heeft al de Limburgs kenmerken die in het Heidelands voorkomen, ligt ten oosten van de Getelijn en kent o.a. nog 2 opvallende Limburgse klankontwikkelingen. In het zuidwesten, ten oosten van het Getelands, ligt het Truierlands waarover ongeveer hetzelfde kan gezegd worden als over het Beringerlands.

 

Waar er in de kader een * bij staat wil dit bij betoning zeggen dat dit verschijnsel er ooit voorkwam en er nog sporen zijn die hierop wijzen. Bij de ontwikkeling van de Wgm. “a” en “aa” wil dit zeggen dat er voor Heppen en Oostham geen gegevens ter beschikking waren om dit na te gaan en bij Beverlo en Korspel er uitzonderingen zijn. Voor Paal en Tervant wijst dit op de aangehaalde ongelukkige voorbeelden “aap – schaap” en “taal – paal”. Bij meervoudsvorming d.m.v. umlaut wijst dit er voor Beringen, Beverlo, Korspel, Paal en Tervant op dat er sporen in deze dialecten zijn die erop wijzen dat dit ooit wel het geval was. Voor Oostham was er geen uitsluiting over het al dan niet voorkomen van de “der”- vorm (“jij”/”jullie” onbeklemtoond) daarvoor het vraagteken. Wat de “er”- vorm (“hij” onbeklemtoond) betreft was er geen info over het nog voorkomen ervan in Beringen (ooit heel zeker wel) en lijkt het erop dat deze vorm toch sporadisch nog voorkomt in Beverlo (ooit ook zeker het geval dan). Voor de meervoudsvorming op uitgang “-er” en het uitgangsloos meervoud waren en geen bronnen voor Heppen en Oostham.

Voor het verkleinde Beringerlands, bestaande uit Beringen, Paal en Tervant is zeker uit te maken of het meer Brabants dan Limburgs is. Het dialect in deze plaatsen is duidelijk veel meer Limburgs dan Brabants. Het gaat hier gewoon om West-Limburgse dialecten waar systematische betoning veloren is gegaan. Het verkleinde Beringerlands is dus zeker als eigen subregio binnen het West-Limburgs op zijn plaats.

image009

Deze kaart is een combinatie van de kaart van J. Goossens uit 1965 en de W.L.D. – indelings kaart. De benamingen komen van de W.L.D. – indeling, behalve de benaming Heidelands in het noordwesten. Deze benaming werd gekozen omdat het Beringerlands uit de W.L.D. – indeling terug gesplitst werd zoals bij J. Goossens omdat dit de realiteit beter weergeeft.

Aan een aantal Limburgse kenmerken in het Bœtings is men in het verleden blijkbaar wat voorbij gegaan. Deze kwamen eerder in dit stuk al aan bod. Zo werd er vanuit gegaan dat de “er” – vorm voor “hij” onbeklemtoond niet meer voorkwam in het Bœtings. Deze vorm blijkt wel degelijk nog voor te komen in het Bœtings. De “er” – vorm komt voor naast “h’m/hum” zoals in veel Limburgse plaatsen. Ook het rekken van klinkers in gesloten lettergrepen is iets wat in het Bœtings zeker voorkomt en meer dan eerst werd aangenomen, misschien wat minder dan in Koersel, Stal, Heusden,… maar alleszins is het iets om niet over het hoofd te zien. Verder doet het Bœtings ook met het oosten mee voor de manier waarop de West-Germaanse gerekte korte “a” in een open lettergreep en de oorspronkelijk lange West-Germaanse “aa” zich ontwikkelden.

Robby Vanesch 2026.

Laatst aangepast op 5 mei 2026
Log in om reacties te plaatsen