De Indo-Europese b,d,g werden p,t,k in het Germaans, de Indo-Europese bh, dh,gh werden b,d,g in het Germaans, de Indo-Europese p,t,k verschoven tot f(v),th(d) en ch(h) in het Germaans). Het accent dat bij het Indo-Europees variabel was, werd in het Germaans vastgelegd op de eerste lettergreep van het woord en in het Germaans gingen er naamvallen verloren die in het Indo-Europees voorkwamen. Het Germaans ontwikkelde ook een eigen vorm voor de verleden tijd van zwakke werkwoorden (eigen aan en beperkt tot het Germaans)… De periode die men aanneemt voor het ontstaan van het Germaans verschilt soms van bron tot bron. In “Het Nederlands vroeger en nu” (G. Janssens en A. Marynissen) geeft men de periode tussen 2000 en 1000 v.Chr. op als ontstaanstijdstip.
In “Sprache und Herkunft der Germanen” (W. Euler en K. Badenheuer) gaat men ervan uit dat zich tussen de 5de eeuw v.Chr. en de 1ste eeuw v.Chr. de eerste klankverschuiving, de accentverschuiving en de wet van Verner voltrokken en zo het Germaans zich vormde uit het Indo-Europees (er zijn nog andere dateringen te vinden en misschien bereikt men ooit een consensus). Doordat er binnen het Gemeengermaans geleidelijk verschillen ontstonden kwamen hier weer 3 taalgroepen uit voort, met name het West-Germaans, het Oost-Germaans (uitgestorven o.a. het Gotisch) en het Noord-Germaans (voorouder van de Scandinavische talen).
Voor ons is het West-Germaans van belang. Binnen het West-Germaans nam na 500 na Chr. de differentiatie ook weer toe door voornamelijk twee oorzaken, namelijk:
- het ontwikkelen van eigen taalverschijnselen bij de West-Germanen die langs de Noordzeekusten woonden.
- de Hoogduitse klankverschuiving die in de 6e eeuw in het zuidoosten van het West-Germaanse gebied (Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland) ontstond en zich noordwaarts verspreidde (in golven die niet allemaal even ver reikten, de Uerdingerlijn reikt het verst van deze golven).

Het Limburgs/Oostnederfrankisch dient gezien te worden als een verzameling
van dialecten tussen de Ürdingerlijn, Benratherlijn en de taalgrens. Deze dialecten
zijn weliswaar nauw verwant met het Nederlands en het Duits, maar vormen o.i. een aparte taalgroep.
Het West-Germaans viel uiteen in Oudhoogduits, Oudnederfrankisch, Ingweoons kustdialect, Angelsaksisch (Oudengels), Oudsaksisch (Noord-Duitsland) en Oudfries. Rond 700 na Chr. zouden deze verschillen al duidelijk geweest zijn.
Voor ons is hier het Oudnederfrankisch van belang. Het Oudnederfrankisch splitst zich op in Westnederfrankisch (waartoe de dialecten behoren die later het Nederlands zullen vormen) en Oostnederfrankisch (in het Duits Südniederfränkisch), de voorouder van de Limburgse dialecten. Vereenvoudigd ziet de stamboom in lijn er als volgt uit: Indo-Europees-> Gemeengermaans ->West-Germaans-> Nederfrankisch-> Oostnederfrankisch-> Limburgs.
In een volgende aflevering nemen we de draad op bij het Oostnederfrankisch.

R. Vanesch.
De Germaanse talen ontstonden uit het Indo-Europees door enkele opvallende veranderingen: klankverschuivingen.