28 - 9 - 39 Onze eerste kookles !
Hoera ! ‘t Is vandaag zaterdag, we mogen voor den eersten maal kooken. We hebben allen al aardappelen, eieren en bloem meegebracht. We kwamen in de klas. De kachel brandde goed en daarop kookte het water al voor de soep.
We mochten al beginnen met aardappelen te schillen, maar vooreerst een kruiske maken. Sommige kinderen schilden ze zoo dik dat ze van dikke aardappelen een heel kleine maakten.
Maar ‘t was den eersten keer, den tweeden zou het beter gaan. We kookten tomatensoep. Dus het meeste tomaten erin. We deden tomaten, aardappelen, wortelen, selder, een koolblad, rijst enz. in het water.
Toen moesten we ajuin kuischen om die erin te doen. Het water liep uit onze oogen en we weenden allen om het hardst. Maar, daar gaven we niet om. Onze soep kookte drie uur en half. We zetten de aardappelen op. De zuster maakte mayonnaise om bij de aardappelen te doen. Ze nam een ei, scheidde den dooier van het wit en deed er toen zout, peper en mostaard bij. Toen goot ze drup voor drup den olie erin. Nadat alles gekookt was werd de tafel gedekt en we gingen eten. Het smaakte goed en lang daarna nog spraken we er over.
14 - 10 - 39 ‘t Is herfst !
De laatste warme dagen zijn voorbij en de herfst is aangebroken. Er komen nog wel schoone dagen, maar ze zijn toch zoo warm en zonnig niet meer als in den zomer. Het bleeke herftstzonnetje komt door de bewolkten hemel en zendt haar verflauwde stralen op aarde neder. De natuur verlaat stilaan zijn schoonheid. De weiden worden niet zoo druk meer bezocht door het vee als in den zomer. Op het veld worden de laatste werken verricht door den landman. De beeten worden in hoopen verzameld om in den winter de dieren ermee te verzadigen. De boomen leggen hun groen kleed af en trekken hun herfstgewaad aan. De wind doet de goudgele bladeren al dansend naar beneden tuimelen. De meeste vallen in het slijk, daar worden ze vertrapt door menschen en dieren.
De wandelaar verlaat het kille bosch en zoekt zijn schuilplaats in de gezellige huiskamer. Weldra zal de kachel alleen onze kameraad zijn en zullen we de zonnige dagen kunnen vaarwel zeggen.
In den regen naar huis
Hoor ! De bel klinkt.
Op een wip ben ik buiten. Brr … wat een weer. ‘t Giet water. Nu maar vlug doorgestapt. ‘t Zal vandaag niet meer ophouden, want overal is de lucht even grijs en donker. Hier en daar zien we een werkman. Al is hij warm ingeduffeld, toch worstelt hij gelijk wij tegen den regen. Er is geen enkel vogeltje te bespeuren. Ze zijn bang weggevlucht hun nestje in om zich tegen den regen te beschutten.
De wandelaar die zijn laatste wandeling maakte is ergens in een huis binnengegaan. Spijtig dat zijn wandeling mislukt is. We loopen vlug door, want het begint nu ook harder te regenen. Oef … daar valt mijn zusje. Haar voorschoot is helemaal vuil. Niemand kan er aan doen en daarom loopen we maar door. Eindelijk doornat komen we thuis. Gauw drogen we ons hoofd af en trekken andere kleeren aan.
Stilaan krijgen we het winterweer in ‘t oog en wordt het voor ons een plezier.
Jeanne Peremans, 1934 :
