1-7-1 De bloemen: aantrekkelijk sieraad van de natuur
't Is Zondagnamiddag ! Allen, groot en klein staan gereed, want we gaan wandelen.
We gaan langs ons huisje voorbij. Hoe schoon die roode geraniums achter de kraaknette gordijnen. Hoe sierlijk die veelkleurige bloemperken voor onze woning. Hoe aantrekkelijk die lieflijke bloemen langs de paden van den moestuin.
Kom, langs dit wegeltje zullen we onze wandeling voortzetten. Hoe schoon die wiegelende zee van korenvelden en daartusschen de blauwselblauwe korenbloemen, de vuurrode papavers en de paarskleurige bolderik. Het klein volkje kan niet nalaten de bloempjes af te plukken en ze te vormen tot een weelderig, geurig ruikertje.
Van het veld leidt ons 't wegeltje regelrecht 't bosch in. Ons oog wordt getrokken naar het schreeuwerig geel van de brem en de nog donkerpaarse heidebloempjes. Ze zijn omringd door honderden nijverige bietjes die er den zoeten honig uit puren. Deze eenvoudige bloempjes geven aan het bosch een sierlijk uitzicht.
Tusschen onze uitroepen van bewondering klinkt plots het smeekend stemmetje van klein Jefke: "Pa, we gaan toch zeker wel eens naar 't vijverke ?" Zeker zullen we dat. Zie, we zijn er al. Op het water bloeien helderwitte waterleliën. Langs den kant prijken roode en witte lisbloemen, waartusschen het bruin van de biezen fel afsteekt.
Bewonderend blijven we even stilstaan en plukken al de bloemen die we krijgen kunnen. Tot opeens de stem van moeder ons aanraadt van huiswaarts te keeren.
We gaan … maar tegen onzen zin.
Onderweg houden we ons oog steeds gevestigd op bloemen, altijd maar bloemen.
Hoe aantrekkelijk, hoe schoon ! …
Ja, de bloemen zijn het echte sieraad van Gods wonderlijke natuur.
5-7-41 Een vrij uurtje in onzen Tuin
Als blinkende zilverparels hangen de dauwdruppels te glinsteren in de eerste stralen van de opkomende morgenzon. Kom, laten we eens een vrij uurtje doorbrengen in onzen heerlijken tuin.
Langs de paden staan de duizenden bloempjes te pronken en openen langzaam hun kelkjes.
Rechts staan de rijpwordende groenten die moeten dienen om een goed middagmaal en om voorraad voor den winter.
Links staan de almaardoor bloeiende lieve bloemen. Ze schijnen ons "goeden morgen" te wenschen, want door het zachte windje dat over hen heen waait worden hun kopjes heen en weer gebogen.
Aan het uiteinde der tuin staat de groote, wondermooie grot met de schoone lieve Vrouwe en de kleine Bernadette. Hoe rijk en fier zijn hier de leliën en rozen die haar omringen ! Ze zijn het beeld der reinheid en liefde.
Maar hoor, daar klinkt er een stem, zoo wondermooi, zoo liefelijk. 't Is de merel die zijn mooiste liedjes zingt om zijn goeden meester te verheerlijken.
Zie nu toe ! Als wegkwijnende menschen vallen de dauwdruppels van stengels en blaadjes. Nu rijst de zon als een statige prinses ten hemel en zendt haar lieflijke stralen over bosch en hei, over veld en wei, <ook over onzen tuis> en doet alles als in een wondermooien droom herleven.
Laten we God verheerlijken en uitroepen: "O, Heer, wat is Uw Schepping wonderbaar" !
groepsfoto van de familie, met, rechtsboven Jeanne met kleine Julien op de arm en verder:
Louis Peremans, Marie Louise Peremans, Alfons Meyen, André Peremans, Danny Peremans (niet zeker),
Julien Peremans, Jeanne Vuegen, Gina Peremans (niet zeker), Eduard Peremans, Marcel Peremans (niet zeker),11. Rosalie (getrouwd met War Peremans), Remi Vuegen, Maria (moeder van Gina en Fanny), Jef Vuegen, Fanny Peremans
