Paal, 13-6-41 Ik houd van bloemen !
De eerste, lieflijke bloempjes kondigen de lente aan. Het zijn de violetjes, madeliefjes en sneeuwklokjes. Wanneer deze kleurige bloemen hun kopje omhoog steken, dan weten we dat het schoone weder in aantocht is.
Wat zou onze tuin er eenzaam uitzien, waren de paden niet versierd met veelkleurige bloempjes. Hoe doodsch en verlaten zouden de weiden zijn, ware het groene gras niet doorspikkeld met duizenden kleuren. Onze huiskamer ziet er nu veel gezelliger en vroolijker uit. Op tafel en kasten prijken groote ruikers geurige bloemen. Het heele huis is vervuld met hun welriekenden geur.
Maar de schoonste bloemen uit den tuin dienen om de beelden te versieren: bijzonder versieren we nu in de maand juni het beeld van het H. Hart.
De bloemen zijn zinnebeelden van vele, schoone deugden. De roos, zinnebeeld van liefde, bijzonder van liefde van het H. Hart tot ons. Dan, de lelie, de zuiverheid, spreekt ons van de reinheid van O.L. Vrouw. Het kleine, nietige violetje van de nederigheid, 't vertelt ons van den nederigen, stillen timmerman, den H. Josef.
We moeten trachten die schoone deugden na te volgen.
'k Wil ook een bloempje zijn. Een bloem van liefde voor Jezus. Een bloem van behulpzaamheid thuis. Een bloem van gehoorzaamheid in de klas. Een bloem van nederigheid op straat. Een bloempje wil ik zijn, overal.
Woorden wekken, voorbeelden trekken
Aan Godes zegen, is alles gelegen.
21-6-41 Vogelenzang !
Welk een gejubel en gekweel is het in den boomgaard ! 't Is … alsof men op duizend orgels speelt. Honderden vogeltjes wippen tak op, tak af en dartelen en spelen zooveel het hun lust.
Ze schetteren en tieren gelijk echte kwajongens. Ja, ja, soms geraken ze tegen elkaar aan 't twisten. Welk een lawijt is het dan. Men zou zijn ooren moeten toestoppen.
Maar kom, daar nu niet van gesproken. Laten we liever eens gaan zien naar die lieve vogeltjes. Zie … welk diertje zit daar ? …
't Is een merel. Welk mooien vogel toch. En zingen …. gelijk een echte muziekant.
En daar … een roodborstje ! Hoe schoone veertjes toch !
Wie zit daar tusschen de bladeren van den appelaar ? Ik zie niets dan een staart. O ! Nu weet ik het !
't Is juffrouw Snater ! Hoort ze maar babbelen !
Neen, de vogels zijn niet telbaar, zooveel zijn er.
Zulke lieve diertjes maken ons het leven aangenaam en doen ons den treurigen tijd vergeten.
23-6-41 De bloemen in 't menschenleven !
Bloempjes prijken er overal ! Allen houden ervan en toch bijzonder de kinderen. Ze gaan in de weide en plukken alsmaardoor lieve bloempjes.
Lieflijke kransjes worden er van gevlochten en geplaatst op de blonde hoofdjes. Geurige ruikertjes worden er van gebonden en gezet, voor het beeld van 't H. Hart.
Ook groote menschen houden van bloemen. Men gebruikt ze altijd en overal bij groote feesten. Ze zijn het symbool van vreugd en blijdschap.
Bij inhuldigingen van pastoors der parochie ziet men veel bloemen, altijd maar bloemen. Bij eeremissen van jonge priesters is alles versierd met geurige, weelderige ruikers en slingers. In de kerk prijken overal bloemen van verschillende kleuren. De heele ruimte is vervuld met hun welriekenden geur. Rond de beelden van het H. Hart en van O.L. Vrouw stijgen ze op als wierookvaten.
Met huwelijken en jubeleums worden groote festoenen van echte natuuurbloemen gemaakt. Zoo iets brengt veel blijde stemming bij het feest.
Ja, de bloemen zijn een zonnestraaltje in 't duister menschenleven.
Allen houden ervan, jong en oud, klein en groot. Ze zijn ons een troost in deze droevige tijden. Laten we veel liefde hebben voor de bloemen, maar nog veel meer voor God, den Schepper der bloemen !
De 14-jarigen in 1941, poserend in de tuin van het klooster, Jeanne naast de zuster.