Print deze pagina

21. Indeling van het Buitings en vergelijking met buurdialecten (Deel 5)

In de voorgaande 4 afleveringen werden een aantal belangrijke kenmerken van het Böetings aangehaald. De meeste van die kenmerken zijn algemeen Limburgse kenmerken die het Böetings gemeenschappelijk heeft met heel het Limburgse taalgebied (er zijn natuurlijk wel variaties binnen het Limburgs). Enkele andere kenmerken beperken zich regionaal tot het Böetings (of tot het Böetings en het Lummens voor “a(a)i”- klanken). Het zijn steeds deze Limburgse (Oostnederfrankische) eigenschappen en lokale eigenschappen die onder druk staan van het Algemeen Nederlands (Westnederfrankische standaardtaal) en Westnederfrankisch georiënteerde tussentaaltjes op t.v., radio,… Daarom is het van belang deze eigenschappen te bewaren, ze komen immers niet voor in het Algemeen Nederlands en de tussentaaltjes op t.v., radio,…

Het Nederlands is een kunstmatige standaardtaal die ontstaan is uit Westnederfrankische dialecten en is strikt genomen een “vreemde” standaardtaal voor het Limburgse taalgebied. Hetzelfde kan gezegd worden over het Hoogduits waar Duits taal de standaardtaal is in het Limburgse taalgebied. Het Limburgs (Oostnederfrankisch) is wel verwant aan beide (allemaal Westgermaans) maar niet zoals men soms denkt een mengeling van beide. Sommige kenmerken van het Limburgs hebben een gelijklopende ontwikkeling als het Hoogduits, andere zoals deze in het Nederlands en nog andere zijn exclusief Limburgs/Rijnlands. Het Limburgs (de verzameling Limburgse dialecten) is ouder dan beide standaardtalen (Nederlands en Duits). Onder andere doordat het Limburgse taalgebied doorheen de geschiedenis steeds over verschillende “staatsgebieden/landen” verdeeld was, is er ook nooit een Limburgse standaardtaal ontwikkeld. Het (proto-) Limburgs was nochtans de taal van Karel de Grote. En de taal van Hendrik van Veldeke was ook Limburgs. In Nederland, Duitsland en Wallonië is het Limburgs beter af dan bij ons. In Nederland (1997) en Duitsland is het erkend als streektaal doordat beide landen het Europees Handvest voor Streek- en Minderheidstalen ondertekenden. In België deed de federale regering dit tot op heden niet. Ook van Vlaanderen moet men hierrond niets verwachten. Wallonië erkende op eigen initiatief de Limburgse dialecten in het noorden van Luik die niet onder de Duitse gemeenschap vallen. Limburg en de Limburgers zullen in België zelf voor hun taal ( + geschiedenis en cultuur) moeten zorgen…

image001In aflevering 1 hadden we het nog eens over de Uerdingerlijn en haar volgisoglossen, de grens tussen de dialecten van het Nederlands/dialecten van het Nederduits (ten westen en noorden van de Uerdingerlijn, “ik/ek”, “ok/ook/auk”, “mij/mèè”,…) en het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied er ten oosten en zuiden van (“ich/iech/ech/esj”, “ooch/óch/auch”, “mich/miech/mech”,…). Het is belangrijk voor de plaatsen ten oosten/zuiden van de Uerdingerlijn om hun Limburgse vormen te behouden. Als deze vormen verdwenen zijn, mag men ervan uitgaan dat ook andere oostelijke vormen verdwenen zijn en er van Limburgs nog weinig sprake is… In zo een geval is het territorium verlies voor het Limburgse taalgebied. Het goede nieuws is dat de Limburgse vormen verbonden aan de Uerdingerlijn gemakkelijk uit te spreken zijn en dus ook gemakkelijk te leren. Dus: “ICH” (hoofdvorm) met nevenvormen “’CH” en “ICHE”, “MICH” (hoofdvorm) met nevenvorm “MICHE”, “ÓCH/OECH” (hoofdvorm) met nevenvorm “ÓCHE/OECHE”, “UR/OER”, “URRE/OERE”, “OOCH”,… in het plat voor de Nederlandse vormen “ik”, “mij”, “u/jou”, “uw/jouw”, “ook”,… (zie aflevering 1 voor uitgebreidere uitleg).

 

 

image003In de 2e aflevering van deze reeks werd er nog eens teruggekomen op de Getelijn en de Betoningslijn. In 1958 legde L. Morren Paal en Beringen aan de oostkant van de Getelijn. Twee jaar later in 1960 legden J.L. Pauwels en L. Morren Paal en Beringen aan de westkant van de Getelijn. Maar volgens de methode die J.L. Pauwels en L. Morren gebruikten in 1960 liggen Paal, Tervant en Beringen wel degelijk aan de ooskant van de Getelijn ook al is het maar met een beetje overschot (Paal en Tervant: 20x oost, 3x ander woord, 17x west, Beringen: 22x oost, 2x ander woord, 16x west). Paal, Tervant en Beringen doen meer mee met het oosten en hebben ook een aantal opvallende oostelijke vormen. In het Böetings, Berings en plaatsen nog oostelijker zijn de inheemse vormen verbonden aan de Getelijn bijvoorbeeld “mèèn”, “drèèn”, “zèèn” voor “maaien”, “draaien”, “zaaien”. Vormen als “moaie”, “droaie”, “zoaie” zijn vreemde vormen uit Westnederfrankische dialecten (Brabantse dialecten). Deze 3 woorden zijn een opvallende west/oost tegenstelling maar ook voor de andere woord/klankgrenzen uit de studie bij J.L. Pauwels en L. Morren is het van belang de juiste vorm te gebruiken. Wat de Betoningslijn betreft kan er gezegd worden dat men het Böetings er terecht ten westen van legt indien het gaat over het nog functioneel voorkomen van stoot- en sleeptonen, maar hiermee is niet alles gezegd. Er zijn duidelijk sporen van het ooit voorkomen van betoning in het Böetings. Sommige klankontwikkelingen zijn enkel te verklaren uit het ooit voorkomen van betoning in het Böetings en er zijn ook nog woordvormen die erop wijzen, woordvormen waarbij het meervoud geen uitgang kent en het enkelvoud en meervoud hetzelfde zijn.

image005

In aflevering 3 ging het over een 4-tal verschijnselen, namelijk de ontwikkeling van de a/o + l + d/t , het rekken van klanken, de wispelturige “r” in het Limburgs en gevallen waarin umlaut optreedt. Voor de ontwikkeling van de a/o + l + d/t kent het Böetings een ontwikkeling zoals de meeste Limburgse dialecten.

Wat het rekken van klanken betreft kan er gezegd worden dat dit in het Böetings zeker voorkomt zoals in de meeste Limburgse dialecten. Het rekken in het Böetings is iets waar in het verleden overheen gekeken werd. De “r” is in het Böetings zoals in de meeste Limburgse dialecten ook “wispelturig”. Umlaut komt in de Limburgse dialecten in 4 gevallen voor namelijk bij verkleinwoorden, afgeleide vormen, vervoeging en meervoudsvorming.

Het Böetings kent umlaut in 3 van de 4 gevallen namelijk bij verkleinwoorden, afgeleide vormen en vervoeging. Bij meervoudsvorming niet meer, al zijn er ook hier sporen die erop wijzen dit ooit wel het geval was. Het niet vormen van meervouden door umlaut wil niet zeggen dan het Böetings altijd meervouden vormt zoals het Nederlands. Limburgse dialecten kennen ook “uitgangsloosmeervoud” en dit komt ook in het Böetings voor.

 

image007Van de 3 oostelijke kenmerken aangehaald in aflevering 4 (de wijze van ontwikkeling van de Westgermaanse “a” in een openlettergreep en de Westgermaanse “aa”, verzachting “op de” à “obbe”…., gescheiden ontwikkeling in “huis” – “ “kruis”) heeft het Böetings er 2 namelijk de ontwikkeling van de Wgm. “a” in open lettergreep en Wgm. “aa” en “verzachting”. De gescheiden ontwikkeling in o.a. “huis” en “kruis” (zoals in het Duits “Haus” en “Kruez”) komt niet (meer?) voor in het Böetings maar ook niet meer in het Berings, Koersels en Stals. Wel nog bijvoorbeeld in Lummen, Heusden, Zolder,… (“hoos” en “kröes” varianten).

In deze afleveringen kwamen de algemeen Limburgse kenmerken die het Böetings heeft aan bod. Deze kenmerken samen met enkele opvallende lokale eigenschappen van het Böetings zoals voorkomende “a(a)i” – klanken die verder in de directe omgeving enkel ook in Lummen en Meldert voorkomen, zeer uitdrukkelijke naklanken in het Böetings bij woorden als bijvoorbeeld: “uur”, “vuur”, “vier”,…, die klinken als “uujer”, “vuujer”, “viejer” voor mensen uit de plaatsen in de omgeving, het behoudt van de Oudgermaanse “sk” in het Böetings in woorden als bijvoorbeeld: “skip”, “skool”, “skan”,… (schip, school, schande,…), maken samen met een aantal westelijke kenmerken, die tot een stuk in het West-Limburgs voorkomen, het Böetings tot wat het is. Deze kenmerken zijn van belang om terug Böetings te spreken. Om de juiste uitspraak van klanken en woorden in het Böetings te oefenen zijn er de Dikke Van Pale, de Böetingse les en de cursiefjes.

Uit de kader komt ook nog eens naar voor dat de splitsing van het Beringerlands in een noordelijk deel met Beverlo, Korspel, Heppen en Oostham dat de naam Heidelands kreeg en een zuidelijke deel met Beringen, Paal en Tervant dat de naam Beringerlands blijft dragen terecht is. Tussen het noordelijk deel en het zuidelijk deel lopen de Getelijn, de grens tussen de wijze van ontwikkeling van de a/o + l + d/t en de grens van ontwikkeling van de Wgm. “a” in openlettergreep en de Wgm. “aa”. Dat de overheveling van Eversel naar het Demerkempens waarin o.a. Heusden, Koersel, Stal,… liggen terecht is komt ook naar voor uit de kader.

Voor de 2 verschijnselen waar het verkleinde Beringerlands (Beringen, Paal en Tervant) niet (meer) mee doet met het oosten, namelijk de Betoningslijn en meervoudsvorming d.m.v. umlaut, zijn er sporen die erop duiden dat deze verschijnselen ooit wel deel uit maakten van van de Beringerlandse dialecten. Een opname van het verkleinde Beringerlands als subregio binnen het West-Limburgs zoals bij de W.L.D. - indeling het geval is voor het “grotere” Beringerlands (= + noordelijk deel hier “Heidelands” met opname Oostham) is door wat naar voorkomt aan eigenschappen in de kader een goede optie. Het Heidelands, de noordelijke helft van het Beringerlands bij de W.L.D.- indeling kan dan als West-Limburgse overgangsregio gezien worden binnen het Limburgse taalgebied net zoals het Getelands. Beide regio’s liggen aan de Limburgse kant van de Uerdingerlijn hebben verder soms nog een Limburgse toonaard maar kennen ook duidelijk invloed van de nabij gelegen Brabantse dialecten aan de andere kant van de Uerdingerlijn. Voor het Heidelands is deze Brabantse invloed afkomstig van de Kempense dialecten van het Brabants en voor het Getelands is deze invloed afkomstig van de Hagelandse dialecten van het Brabants.

Robby Vanesch.

Laatst aangepast op 23 februari 2026
Log in om reacties te plaatsen