1. Umlaut:
De meeste Limburgse dialecten kennen net als het Standaardduits het verschijnsel “Umlaut” (klinkerwissel) bij de vorming van het meervoud, verkleinwoorden en afgeleide vormen (bakken – bekker). De umlautvormen bij verkleinwoorden bestrijken vrijwel heel Belgisch Limburg en reiken zelfs een stukje verder westwaarts. Ook het Böetings kent de umlaut bij verkleinwoorden: tak – tekske, bak – bekske, zak – zekske, man – menneke, hond – hunneke, boe’em – búmke…. Verder treden er in het Böetings ook klankwissels op bij de vorming van het meervoud (met vaak het wegvallen van de eindmedeklinker): broe’ed – broe-i, pad – paoi, land – loan, hand – hoan,…
2. Rekking:
Rekken van klinkers in een gesloten lettergreep waar deze in het Standaardnederlands kort zijn is ook een eigenschap die de meeste Limburgse dialecten gemeen hebben (vaak zijn deze klanken in het Standaardduits ook lang). Hoewel het Böetings nog maar zelden rekt, zijn er toch nog woorden te vinden waar dit wel het geval is.
ich koom (ik kom)
groas (gras)
loam (lam)
3. Tweede persoon enkelvoud en tweede persoon meervoud:
De “der” vorm in het Böetings (en in een aantal dialecten in het noordwesten en het centrale deel van het West-Limburg) is de enige overgebleven vorm in het Böetings (oa. ook in Beringen en Beverlo) van de persoonlijke voornaamwoorden die historisch ooit op “-r” eindigden. Het Standaardduits kent de vormen “er, wir, ihr” (hij, wij, jullie). In de vroege middeleeuwen was er de expansie van de oostelijke “-r”-vormen (Keulse expansie), dan volgde een tegendruk vanuit het westen (Brabantse expansie), wat voor de huidige variatie in Limburgse vormen van deze persoonlijke voornaamwoorden zorgde (zie R. Keulen 2011). Het Böetings heeft 1 vorm op “-r” bewaard, namelijk “der”. Deze vorm wordt echter niet enkel gebruikt voor de 2de persoon enkelvoud maar ook voor de 2de persoon meervoud (zo ook in Beringen, Beverlo, Koersel … ).
Voor de 2de persoon enkelvoud “jij” is de vorm bij inversie in een zin steeds “der”. Aan het begin van een zin of bij nadruk is de vorm “gè”.
gè zéit (jij ziet) - zéi-der (zie jij)
gè het (jij hebt) - hè-der (heb jij)
da mó-der… (dat moet jij…)
Voor de 2e persoon meervoud “jullie” is het hetzelfde verhaal, al dan niet versterkt door “allemoal”. Soms is “óch” ook de vorm voor “jullie”. De vorm “óch” is dus niet enkel de objectvorm voor de 2de persoon enkelvoud, zoals in “es da van óch ?” ( is dat van jou ?) of “ich zéin óch wöl” (ik zie u/je/jou wel) maar dus ook de voorwerpsvorm voor de 2e persoon meervoud.
ich zéin óch (allemoal) wel, mer gè zéit mich néi !
(ik zie jullie wel, maar jullie zien mij niet)
gè stöt (allemoal) verkie'erd
jullie staan verkeerd
stö-der (allemoal) verkie'erd ?
staan jullie verkeerd?
ich dacht da-der (allemoal) meegónk !
ik dacht dat jullie meegingen
In volgende aflevering nog meer oostelijke invloeden !
Robby Vanesch.
