|
Sporen van Oudnederfrankisch/Oudnederlands: de Malbergse Glossen (aantekeningen), dit zijn Frankische vertalingen van woorden uit de Lex Salica, uit de tijd van Clovis. De heldere uitgangen zijn zoals je merkt verdwenen of verdoft. |
Aanvankelijk waren de verschillen tussen het Westnederfrankisch en het
Oostnederfrankisch niet zo groot. Het Oostnederfrankische taalgebied onderging voor een deel de Hoogduitse klankverschuiving, met name de verschijnselen verbonden aan de ”Uerdingerlijn”, de overname van een deel woordenschat, de umlaut… Deze eigenschappen verspreidden zich vanuit Keulen in onze richting en gaven het Oostnederfrankisch typische eigenschappen, waardoor het zich nog meer van het Westnederfrankisch ging onderscheiden.
Keulen was ook de zetel van het aartsbisdom, waartoe ook het bisdom Tongeren-Maastricht-Luik behoorde. Keulen had een grote uitstraling op religieus, cultureel en taalkundig vlak. Ook van Aken kan dit gezegd worden. De invloed van Keulen op taalkundig vlak noemt men “de Keulse expansie”. Vanaf ± 800 liet deze Keulse invloed zich gelden. Hij zou pas afnemen na de Slag bij Woeringen (Worringen bij Keulen) in 1288. Deze slag was het gevolg van vijandelijkheden tussen Brabant en Gelre (Gelderland). Aan de kant van Jan I, hertog van Brabant, stonden Arnold V van Loon (onze huidige provincie Limburg) en de burgers van de vrije rijksstad Keulen. In het andere kamp zaten de troepen van Gelre, Luxemburg, het hertogdom Limburg (nu in prov. Luik) en deze van Siegfried van Westerburg (de aartsbisschop van Keulen).
| Voor de liefhebbers van geschiedenis: een interessante en heldere beschrijving van deze slag en zijn historische achtergrond vind je op http://www.unionbelge.be/?p=7186. Alleen de omkadering en toelichting is politiek tendentieus ... Jawel, er zijn nog Belgen sire ! |
Brabant en zijn bondgenoten wonnen de slag. Het hertogdom Limburg (noordoosten van Luik, landen van de Overmaas, niet te verwarren met ons Limburg) werd bij Brabant gevoegd. Na de zege van Brabant in de Slag bij Woeringen neemt de invloed van Brabant toe, ook op taalkundig vlak (“Brabantse expansie”). De Keulse invloeden op taalkundig vlak, die tot het oosten van Brabant waren doorgedrongen, werden nu door Brabantse invloeden op taalkundig vlak teruggedrongen… maar niet alle invloeden en niet allemaal even ver. Deze opeenvolgende invloeden op het Oostnederfrankisch liggen aan de oorsprong van de huidige grote subregio’s binnen het Limburgs/Oostnederfrankisch.
Het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied ligt tussen de Uerdingerlijn, de Benratherlijn en de taalgrens en strekt zich uit over drie landen (België, Nederland en Duitsland), delen van vijf provincies (Vlaams Brabant, Belgisch Limburg, Noord Brabant, Nederlands Limburg en Luik) en een Bondsland (Nordrhein Westfalen).
De Uerdingerlijn is de isoglosse (grenslijn van een taalverschijnsel) die de buitenste expansiegordel vormt van de Keulse expansie (of tot waar de Brabantse expansie de kenmerken ermee gepaard gaande terugdrong) en vormt de grens tussen “ik” en “ich”.
De Benratherlijn, waarvan de Uerdingerlijn zich voor Wuppertal afsplitst om er in een brede boog mee parallel te lopen tot aan de taalgrens, vormt de grens tussen “maak” en “mache”. Men noemt het Limburgse/Oostnederfrankische gebied ook wel “land van ich maak”. De dialecten ten westen en noorden van de Uerdingerlijn zeggen “ik maak” (varianten) en de dialecten ten oosten en zuiden van de Benratherlijn zeggen “ich mache” (varianten).
Isoglossen die ontstaan zijn door de wisselwerking van de Keulse en de Brabantse expansie zijn van west naar oost (tussen de Uerdingerlijn en Benratherlijn): de Getelijn, de betoningslijn, de Panningerzijlijn, de Panningerlijn en de –lijk/-lich lijn (ten westen uitgang –lijk, ten oosten uitgang –lich).
In een volgende aflevering bekijken we deze isoglossen van dichterbij.
Robby Vanesch (afbeelding rechts met dank aan Rob Belemans)
