Print deze pagina

Portret: Leon Engelen

Dit jaar is het 25 jaar geleden dat de laatste kolen naar boven kwamen uit de ondergrond van de Beringse mijn. Leon Engelen werkte 20 jaar in de put. Hij herinnert zich vooral het harde werk en de slechte werkomstandigheden. Terug naar de put? Bijlange niet!

Leon wordt geboren in Paalstraat op 5 oktober 1934. Zijn vader is mijnwerker en moet als enige kostverdiener zorgen voor een gezin met 10 kinderen. Het leven is heel hard. Op het moment dat zijn twee oudste broers ook in de mijn gaar werken, krijgt het gezin het een klein beetje beter dankzij de financiële hulp van de twee oudsten. Pa krijgt al vroeg stoflong en moet daarom op zeer jonge leeftijd op invalidenpensioen. Maar met dat geld komt het gezin zeker niet rond. Daarom boert pa zo goed als het kan nog een beetje met wat akkerwerk en twee koeien.

Leon herinnert zich ook nog goed de magere oorlogsjaren. Die zijn niet gemakkelijk voor het gezin Engelen. Leon en de andere kinderen moeten bij de boeren in de buurt op zoek naar brood. En er zijn veel boeren in de buurt die de jonge Leon de deur wijzen. Af en toe krijgt hij een stuk oud brood mee dat voor de beesten klaar ligt. Het staat nog altijd in het geheugen gegrift van Leon. Dankzij de rantsoenbonnen en de hulporganisatie Winterhulp kan het gezin de oorlog overleven. Maar na de oorlog is de situatie niet meteen veel beter. Pa en ma moeten de eindjes aan elkaar knopen en voor de kinderen is er niet alle dagen een degelijke maaltijd.

Toch kan Leon naar school in Paal. Hij is een goede leerling en daarom wordt hij uitverkoren door de paters van Hamont-Achel om daar op internaat te gaan. Maar de kleine Leon wordt ziek van heimwee. Verschrikkelijke heimwee verteert Leon zo hard dat studeren niet goed meer gaat. “Op een bepaald moment zat ik in de studiezaal,” herinnert Leon zich, “en ik was een beetje aan het dromen vol heimwee naar huis. De studiemeester van dienst nam me toen apart en ik kreeg daar een stevig pak rammel. Dat is me altijd bijgebleven. Ik kreeg van die priester de ene harde oorveeg na de andere. Ik werd hysterisch! Ik begreep dat niet. Ik wilde er weg”

Na anderhalf jaar geeft Leon er de brui aan en keert terug naar Paal. Hij gaat een paar dagen werken bij een schrijnwerker in de buurt maar dat gaat de jonge Leon ook niet goed af. Pa stuurt hem naar de vakschool in Tessenderlo. Zo komt hij bij Broeder Max in de drukkerij terecht. Maar omdat zijn ouders het nog altijd financieel moeilijk hebben en zijn studies amper kunnen betalen, besluit Leon om te gaan werken. Hij begint op 15 jarige leeftijd bij schilder Ariën uit Paal. Zo leert hij er de stiel van verver en behanger. Maar als hij 17 is, trekt hij net als zijn oudste broers naar de mijn van Beringen.

Hij gaat er aan de slag in de steenhouwerij. Daar werkt hij twintig jaar in de ochtendpost om de mijngangen voor te bereiden. Na 7 jaar wordt hij ‘ouvrie’, dat is een stapje hoger en zo wordt hij verantwoordelijk voor een ploegje van vier. En dat komt goed uit want elke extra cent is broodnodig. Leon is ondertussen getrouwd. Hij bouwt een huis aan de voet van de Klitsberg in Paal en het gezin krijgt zes kinderen. Tot 1971 zal hij in de put werken. Hij gaat dan wegens rugklachten op invalidenpensioen. Leon herinnert zich vooral het harde werk. De romantische verhalen die hij soms hoort van mensen die terug naar de put willen, kan hij niet begrijpen. Het werk was zwaar, vuil en ongezond. Hij ziet nog altijd in een ziekenhuis in Lanaken de mijnwerkers liggen met stoflong die reutelden, rochelden en kuchten als de pest.

Leon is iemand met een sociaal hart. Hij is tijdens zijn putperiode altijd bezorgd voor zijn collega’s in de mijn. Er zijn immers veel buitenlandse arbeiders die niet altijd goed weten, waar te zijn voor hun papieren van kindergeld of ziekte. Leon helpt die collega’s dan spontaan. Zo komt hij in het vizier van de vakbond. Leon wordt uiteindelijk lid van het ACV. Dankzij de vakbond kon hij de Sociale school in Hasselt gaan volgen. Na een opleiding van twee jaar kon hij zich nog beter inzetten voor de medemens. Leon kan niet tegen het onrecht dat een aantal mijnwerkers te beurt valt. Sommige dokters behandelen gekwetste mijnwerkers niet zoals het hoort en dat doet Leon pijn. Hij heeft nu nog altijd geen goed woord voor een aantal mensen dat werknemers onrecht aandeden!

Na zijn pensioen begint Leon aan een tweede sportief leven. Hij legt zich toe op atletiek als trainer. Zijn kinderen zijn immers allemaal goede lopers. De Klitsberg is het ideale trainingsparcours. Zijn kinderen Erik, Guy, Kristine, Ingrid en Bart barsten van het talent. Ook de jongeren uit de buurt komen via de tuin van Leon naar de Klitsberg om te lopen. Soms liggen er wel veertig fietsen in de tuin van Leon. Vooral de jongste zoon Bart is een echte topper. Van zijn 9de tot zijn 17de wint hij bijna elke wedstrijd. Zo komt de familie Engelen bij de Looise Atletiek Vereniging terecht. Op het moment Bart er iets te jong de brui aan geeft, vindt Leon een nieuwe uitdaging in fietsen. Zo maakt hij lange tochten naar Lourdes, Assisi en Santiago de Compostella. Leon is eerst lid van een club in Tessenderlo en nadien wordt hij voorzitter van fietsclub het Ventieltje in Tervant. Hij blikt al lachend terug op een fijne tijd.

Nu dat Leon bijna 80 jaar is, doet hij het wat rustiger aan maar stilzitten kan hij toch niet goed. Hij helpt zoveel mogelijk zijn 6 kinderen en 13 kleinkinderen als klusjesman. Verven of behangen doet hij nog altijd graag.

Tekst en foto: Hans Put

Meer info over de herdenking van 25 jaar mijnsluiting op www.mijnmuseum.be

mijnsluiting

Log in om reacties te plaatsen