Alhoewel er uitdrukkelijk vermeld stond in het bericht dat op de kerkdeur werd aangeplakt, dat er in Paal niets mocht gedaan worden dat nadelig was voor Beringen, trok Pastoor Notelaers zich daar niets van aan. Hij ging gewoon door met de mis te vieren voor zijn parochianen en na de mis hield hij zoals gewoonlijk zijn sermoen.
Op 26 augustus preekte hij over de tien melaatsen uit het Evangelie van Lucas. Alleen de Samaritaan schrijft Lucas ging terug naar Jezus en betuigde hem zijn dankbaarheid voor de wonderbaarlijke genezing. God kijkt om naar mensen die niet meer meetellen en volkomen afgeschreven zijn, was de boodschap die Lucas wilde brengen.
Volgens Pastoor Notelaers moesten die van de Buiting dankbaar zijn jegens God en tegenover hun Bisschop omdat ze eindelijk een eigen parochie gekregen hadden, niettegenstaande de “nijd” van die van Beringen. Ze zouden ons daar willen terugbrengen tot de oude “moederkerk wegens hun oude vriendschap”, voegde Notelaers er ironisch aan toe.
Na het sermoen werd de misviering zoals gewoonlijk afgesloten met de aanbeveling van de zieken van de parochie.
Toen ze de kerk uitgingen rukte Willem Notelaers, broer van de pastoor en ook koster en schoolmeester in Paal de brief met het bericht en de dagvaarding van de kerkdeur af.
Terwijl de pastoor ’s anderendaags in Paal rondging om de zieken te bedienen en te troosten gaf hij per toeval ook de zegen aan een zekere Vincent Hermans van Beringen die zich haastte om in Beringen te gaan “kleppen” wat er in Paal allemaal gebeurd was ondanks het verbod van hogerhand.
(Wordt vervolgd)
André Luyten