Print deze pagina
24 september 2014

Deel 16: Van euforie naar ontnuchtering!

Paal werd in 1708 eindelijk erkend als onafhankelijke parochie.  De overheid sponsorde in die tijd de kerken nog niet. De gelovigen moesten vooral zelf opdraaien voor de kosten van de pastoor en van het kerkgebouw. Dat is  de echte reden waarom die van de Buiting absoluut een eigen parochie wilden en die van Beringen daar niet mee akkoord waren. 

 

Paal wilde niet langer betalen voor Beringen en Beringen kon zijn eigen financiële boontjes niet doppen.  Beringen was toen ook veel kleiner dan Paal, had minder inwoners en kon dus de eigen kerk, die veel te groot was voor Beringen-centrum en zijn geestelijken onmogelijk zelf betalen.

Maar op de Buiting  waren de gelovigen na de afscheiding euforisch geworden en ze gaven navenant geld.

Hun kerk was de vroegere “kapel van Pael” en die had nog nooit echt de functie gehad van parochiekerk. Al in 1700, voor de afscheiding dus, waren, volgens het register van de Kerkmeesters de giften toegenomen en bracht “ de klater” in de kapel hoe langer hoe meer op. Met dat geld werd het Heilige Sebastiaansaltaar en het Lievevrouwaltaar hersteld.  Er werden banken bijgemaakt, de historische communiebank van Paal, ondertussen geklasseerd en kunstig gemaakt door kunstenaar Tielman Janssen van Hasselt, werd besteld en geleverd.

Vanaf 1708 worden heel wat herstellingen en vernieuwingen in versneld tempo uitgevoerd. Pastoor Notelaers tekent op in het register:”Ick heb een aelmoesse gehaelt voor onze kercke, om  te connen, de noodtsaecekelijckheden tot de pastorale functies fournieren.”

Het tabernakel wordt vernieuwd maar ook de preekstoel, het “hoogzaal” en het hoofdaltaar. Er wordt een nieuwe biechtstoel geïnstalleerd.  Het kerkgebouw zelf wordt ook grondig gerenoveerd.  De kerk krijgt een nieuw dak en er wordt een nieuwe vloer gelegd.  De kerk wordt gewit en herschilderd. Er worden nieuwe priestergewaden bijgekocht, een processiekruis, een baldakijn, ‘n “vaene” (vlag), zangboeken voor het zangkoor enz.

Het kon niet op. De mensen van de Buiting die van oudsher toch als “keuterboerkes” gecatalogeerd werden, deden blijkbaar alles om hun nieuwe parochie een nieuwe uitrusting en een frisse uitstraling te geven. Pastoor Notelaers werd zelfs op zeker ogenblik beroofd en tekent op:“Nota dat mij van het kerckengelt is gestolen uyt mijnen buyl, ’s nachts te cortesoven in het bijwesen van Willebrord Daniels, borgemeester, een poppe van omtrent 40 gulden, waermede meynde te coopen eenen nieuwen celck.”

Ondanks die tegenslag bleef het enthousiasme in de nieuwe parochie groot. In Beringen daarentegen had het bisschoppelijk decreet voor koude rillingen en vooral tandengeknars gezorgd.  Wat voor Beringen schier onmogelijk leek,  had zich uiteindelijk tegen hun verwachting in, toch voltrokken.  Beringen ontwaakte met een financiële “kater”!

Burgemeester Jans van Beringen en oud-burgemeester Herbigneau spoedden zich dan ook begin juli 1708 naar Luik om er protest aan te tekenen tegen het decreet waarin de oprichting van een eigen parochie in Paal werd toegestaan. Beringen tekende in Luik ook beroep aan bij de Heilige Stoel in Rome via een notaris. Daarna trokken ze vergezeld van de pastoor van Beringen en twee getuigen naar de Vicaris-Generaal. Hoewel de Vicaris niet thuis was,  lieten ze niet na nogmaals te  protesteren tegen het decreet van de Vicaris-Generaal. Twee dagen later werd dit protest nogmaals  ook schriftelijk overgemaakt aan de Vicaris.

Op 7 juli werd ook aan de Pastoor van de Buiting meegedeeld dat Beringen in beroep wilde gaan tegen het decreet van de Vicaris.

Een Berings advocaat bleef in Luik aandringen om in beroep te mogen gaan in Rome. Uiteindelijk stemde de Groot-Vicaris, tegen zijn goesting (?), in met het beroep. Beringen had ondertussen een bundel met alle documenten die hun thesis moesten staven al laten overmaken aan Rome. In de beroepsdocumenten bleef Beringen herhalen dat de afscheiding van de Buiting zonder geldige reden was uitgesproken en ook in hun ogen  onverwachts.  Er waren jaren van ”stilte” aan voorafgegaan. Een geïnteresseerde partij nl. Beringen was niet “geciteerd” , niet opgeroepen voor de uitspraak enz.

Begin augustus 1708 kwam er al een 1e reactie uit Rome.  Er werd een auditor, een rechter voor de zaak aangesteld, nl. Alexander Falconerius.  De 2 partijen moesten al hun documenten naar Rome sturen en ze werden in Luik gedagvaard om voor de “judex compulsor” al hun stukken te komen neerleggen. In Paal mocht er niets meer gedaan worden dat in het nadeel van Beringen was.

Het bericht waarin dit werd meegedeeld en ook de dagvaarding werden op zondag 26 augustus aan de deur van de kerk van Paal opgehangen.

De ontnuchtering in Paal was compleet! Wat zou Pastoor  Notelaers doen?   Luisteren naar zijn kerkelijke hiërarchie of naar het volk van de Buiting?

(Wordt vervolgd)

André Luyten

Laatst aangepast op 24 september 2014