Geschiedenis Limburgse Dialecten

Geschiedenis Limburgse Dialecten

In deze rubriek wil paalonline het dialect van Paal en Tervant  situeren in de bredere context.van de  Limburgse en Brabantse dialecten.

Paalonline werkt hiervoor samen met Robby Vanesch van Stal-Koersel. Robby Vanesch legt zich al sinds zijn prille jeugd toe op de studie van de Limburgse dialecten in het algemeen en op deze van Noordwest-Limburg in het bijzonder.

 Robby Vanesch zal ons door maandelijkse berichten inwijden in de wereld van de Limburgse dialecten en ook in de specifieke kenmerken van “het Buitings”.

buitings1In de vorige aflevering stelden we al de vraag of het Buitings, Tervants en Berings eerder bij het West-Limburgs dan bij het Getelands moeten gerekend worden. De Getelandse dialecten situeren zich tussen de Uerdingerlijn (Limburgse kant) en de Getelijn (Brabantse kant). Bepalend voor deze indeling is de “betoningslijn”: loopt ze langs of door onze dorpen?
In het het aangrenzende West-Limburgse Demerkempens hebben stoottonen en sleeptonen grotendeels hun functie behouden (o.a. Stal, Koersel, Heusden, Lummen, Hechtel,…..). Toch durven we stellen dat ook in het Beringerlands nog sporen van betoning te vinden zijn die erop wijzen dat dit systeem er ooit voorkwam.
In het ene dorp is dit al wat duidelijker dan in het andere. Als dit klopt kunnen we besluiten dat het Beringerlands toch wat “Limburgser” is dan tot nog toe werd aangenomen.

Vanwaar komen toch al die taalgrenzen, lijnen en isoglossen?

buitings1

We schreven in de vorige aflevering al over de Uerlingerlijn die de grens vormt tussen het taalgebied van Paal en dat van Tessenderlo, en de Benratherlijn.
Zo zijn er nog vijf dialectgrenzen,  isoglossen genoemd,  die het Limburgse taalgebied tussen de Uerdingerlijn en de Benratherlijndoor lopen nl., (van west naar oost), de Getelijn, de betoningslijn, de Panningerzijlijn , de Panningerlijn en de -lijk/-lich – lijn.  

Ich maak vur óch en mich ooch zoe'een hètteke !

buitings1

Omdat het verloop van de Uerdingerlijn op verschillende kaarten (zelfs bij dezelfde makers) soms afwijkt, hebben we het verloop nagegaan aan de hand van verschillende bronnen  (R.N.D.-enquête,  dialectwoordenboeken, bestaande studies, lokale dialectsprekers, eigen enquêtes, navraag bij dialect- en heemkundige verenigingen,…).

HET OOST- EN WESTNEDERFRANKISCH EN DE KEULSE EN BRABANTSE INVLOEDEN  buitings1

Het Oudnederfrankisch werd gesproken tussen (bij benadering) de 5de en de 12de eeuw in een groot deel van wat nu Nederland, België, het westen van Noord-Frankrijk, het Rijnland en Westfalen (beide Duitsland) zijn. 

Zoals al aangehaald splitst het Oudnederfrankisch zich ook weer op, waardoor het Westnederfrankisch (de dialecten die later in hoofdzaak aan de oorsprong van het Nederlands liggen) en het Oostnederfrankisch (rechtstreekse “voorouder” van de Limburgse dialecten en het Rijnlands) ontstaan.

De Indo-Europese talenfamilie  buitings

De Limburgse dialecten stammen via een aantal “voorouders” af van het Indo-Germaans of Indo-Europees (beide betekenen hetzelfde,  maar Indo-Europees dekt de lading beter.

Er bestaan 2  theorieën over het land of de regio waar het Indo-Europees zijn oorsprong vindt.

buitings1De Germaanse talen ontstonden uit het Indo-Europees door enkele opvallende veranderingen:  klankverschuivingen.  
Bij de eerste of Germaanse klankverschuiving verschoven bepaalde medeklinkers uit het Indo-Europees tot andere medeklinkers in het Germaans. Omdat al de Germaanse talen deze klankverschuiving ondergingen, moet deze plaats gevonden hebben toen de Germaanse talen nog (een zekere) eenheid vormden.

In de vorige aflevering werd al duidelijk dat het noordwesten van Belgisch Limburg niet eenvoudig in te delen is in dialectregio’s volgens de gekende isoglossen. buitings1Dit komt omdat twee van de drie isoglossen die doorheen de regio lopen er geen strakke grens vormen.
De Uerdingerlijn (ich/mich) is eenvoudig te trekken maar de Getelijn en de betoningslijn zijn dit niet. Om toch tot een werkbare indeling te komen opteerde men bij de W.L.D.-indeling voor de benaming “Beringerlands” voor deze regio, bestaande uit Beringen, Paal, Tervant, Heppen , Beverlo, Korspel en Eversel.
Maar ook Oostham kan men erbij rekenen.
Als we het Beringerlands eens van dichterbij bekijken valt er toch iets op wat de verhouding van deze plaatsen t.o.v. de Getelijn betreft.

Paalonline en het Buitings dialect  buitings

Het bestuur van paalonline zette de voorbije zomer een strategie uit m.b.t. de verdere uitbouw van paalonline met zijn groeiende groep van medewerkers,  die een veelheid van activiteiten ontplooien op verschillende terreinen ten dienste van een levenskrachtige dorpsgemeenschap in zijn verschillende facetten.

Een van de instrumenten in dit “ontwikkelingswerk” is het stofferen en onderhouden van een eigentijdse website, die dagdagelijks bouwt aan een virtuele Paalse gemeenschap met een sterk wij-gevoel, waar de onderlinge verbondenheid van de inwoners centraal staat.

Eén kenmerk van een levendige dorpsgemeenschap is de zorg voor de eigen taal, voor het plaatselijk dialect.

buitings1In vorige afleveringen wezen we er al op dat het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied tussen de Uerdingerlijn en de Benratherlijn opgedeeld wordt door isoglossen die elk op een bepaalde plaats van de Uerdingerlijn afsplitsen om een eigen verloop te volgen richting taalgrens.  Zo delen deze isoglossen het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied op in grote dialectregio’s met plaatsen die meer taalkundige eigenschappen gemeenschappelijk hebben met elkaar dan met plaatsen buiten de eigen regio.  Op hun beurt worden deze grote dialectregio’s nog eens onderverdeeld in subregio’s.  In de buurt van Paal en Tervant liggen verschillende dialectregio’s.  

De rijkdom aan dialecttalen in onze streek is niet te schatten. buitings1
Zoals eerder gezegd worden de grote dialectregio’s van het Limburgs/Oostnederfrankisch nog eens onderverdeeld in subregio’s met dialecten die onderling meer gemeenschappelijke kenmerken hebben.
De grote regio’s van van het Limburgs deelt het  W.L.D. ( Woordenboek der Limburgse dialecten)  als volgt in:

 

buitings1

 

Weinigen van ons staan er bij stil dat, wanneer ze over de Tessenderlosesteenweg naar het vlakbij gelegen Hulst fietsen,  een belangrijke grens gepasseerd wordt. Een taalgrens. Bij het oversteken van de Winterbeek stopt het ich/mich gebied. In Tessenderlo doen ze niet meer mee. Het gaat hier om een isoglosse (afgrenzing van een taalverschijnsel) die bekend staat als de Uerdingerlijn.

 

buitelingHoog bezoek vorige dinsdag in de klassen van het 6de leerjaar.  Paalonline kwam bij de leerlingen eens polsen hoe het gesteld was met hun kennis van het dialect.   Waar je 50 jaar geleden nog met de ‘regel’ op de vingers getikt werd als je dialect praatte, zijn de dialectsprekers onder de jongere generaties anno 2017 zo goed als verdwenen. 
Niet dat we verwacht hadden in de klas nog iemand aan te treffen die het Buitings kan spreken (toch wel:  de meester en de juffrouw zelf !),  zelfs het dialect van ons dorp begrijpen bleek ijdele hoop …  Niemand die voor ons een ‘piepel’ kon vangen,  een ‘brag’ was duidelijk een onbekende diersoort en ‘skeut skéite’ was goed voor een gokje in de aard van skateboarden.   

buitings1Ah, gij zijt van De Limburg ? “ Werd die vraag ook al aan jou gesteld ? Dan is dat waarschijnlijk omdat de niet-Limburger een zangerige toon meende te herkennen. Terecht of niet ? Zingen wij ook in het Buitings ? 

‘De Limburg’, de toevoeging van ‘de’ heeft iets koloniaals, zoals Belgen vroeger naar ‘de Congo’ trokken. Merkwaardig, we komen dit neerbuigende lidwoord ook tegen in ‘De Buiting’ …
Maar nee, we gingen het over onze zangkunsten hebben !