Boeken (Rik Tulkens) Speciaal

1 februari 2017
Beoordeel dit item
(32 stemmen)

We mogen weer een werkje brengen van dorpsgenoot Rik Tulkens (stadsdichter Diest van 2012 tot 2015 en nog veel meer - zie deze link- ) .  In de toekomst mag je op onregelmatige basis nog meer gedichten en teksten van hem verwachten.(Klik op 'lees meer' om zijn werk te lezen).

BOEKEN

 

Mijn grootvader bezat slechts één enkel boek.

Ik zie het nog zo liggen.

Rechts op een plankje, naast de Leuvense stoof.

En naast het rekje met zijn pijpen.

Mijn grootvader had meer pijpen dan boeken.

En ik herinner mij levend hoe hij telkens weer opnieuw voor mij uit dat dikke boek het scheppingsverhaal voorlas.

En hoe ik betoverd werd door de beelden die door zijn vertelling werden opgeroepen.

Hoe zich, door zijn woorden, in mijn hoofd een luilekker aardsparadijs ontvouwde, waar beken met limonade kabbelden, suikergoed aan de bomen groeide en waar de gebraden kippen, lang voor ze dagelijkse kost werden, je zo maar in de mond vlogen. Alsof het elke dag kermis was.

Maar het meest verbijsterd was ik door de verbluffende goocheltruc waarmee de Here God, met één vingerknip, uit een rib van Adam, een vrouw te voorschijn toverde, een hoogst wonderbaarlijke verschijning slechts gehuld in een vijgenblad van Armani.

Ik stelde mij toen nog geen vragen bij het feit dat de Schepper, na dit bij de debriefing blijkbaar faliekant beoordeeld experiment, besliste om de verantwoordelijkheid voor het ter wereld brengen van het nageslacht voortaan toch maar beter aan de vrouwen zelf toe te wijzen.

Maar s’ avonds in mijn puberend bed telde ik zorgvuldig mijn eigen ribben na en werd ik onrustig bij de gedachte dat het slechts een paar goddelijke vingerknippen scheelde of ik deelde het bed met 24 vrouwen.

Overigens denk ik niet dat mijn grootvader het bezit van slechts één enkel boek als een enorm  gemis heeft ervaren.

De Bijbel was voor hem nog steeds wat dat Boek reeds in de Middeleeuwen was: dé grote universele encyclopedie die alle ultieme waarheden bevatte.

Het Latijnse woord waarmee de Bijbel aanvankelijk werd aangeduid was trouwens niet "biblia" maar "bibliotheca".

En bibliotheca betekende zowel de verzamelplaats van boeken als het corpus van de teksten zelf die samen het Oude en het Nieuwe Testament vormden. De Bijbel dus.

Zoals eeuwenlang voor hem, was de Bijbel voor mijn grootvader het definitieve handboek dat de volledige synthese en de onbetwistbare verklaring bevatte van zowel het hemelse als het aardse.

En wie zoals hij daaromtrent kennis wilde verwerven kon in deze "bibliotheek" alle antwoorden vinden.

De Bijbel was mijn grootvaders World Wide Web.

Mijn vader had een paar meter boeken.

Die verzameling werd op geregelde ogenblikken aangevuld door een kuise zending van het Davidsfonds en de boeken vonden hun plaats in de door mijn vader zelfgetimmerde boekenkast die, op pré-Ikea wijze, soepel meegroeide zodat zijn aanwassende collectie er op elk ogenblik netjes kon in worden opgeborgen.

Maar ook al had hij een bescheiden bibliotheek, mijn vader had in feite ook maar één boek. Want zijn hele leven lang heb ik hem slechts één boek weten lezen en herlezen en dus stuk lezen: de trilogie “De mannen van de Bounty”.

Het exotische verhaal van de muiterij tegen de hartvochtige kapitein William Bligh die door Luitenant Christian Fletcher en zijn opstandig gevolg, in de Stille Zuidzee overboord werd gezet.

Waarna de muiters, samen met een lading frisse inheemse dames, na maanden omzwerving op het paradijselijke eiland Pitcairn aanmeerden. Veilig uit de wurgende greep van de Britse galg,

Als ik mijn vader vroeg waarom hij telkens opnieuw dat boek ter hand nam dan mompelde hij iets over “de roep van de zee” en “het heroïsche zeemansleven”...

Uit de schoolbibliotheek nam ik voor mijn vader dan ook steeds een “boek over de zee” mee naar huis.

Maar ik denk niet dat hij er ooit in gelezen heeft.

Mijn vaders hart toefde blijkbaar enkel op het palmboomwuivende Pitcairn.

Veel later heb ik de Bounty-trilogie ook zelf gelezen.

En toen besefte ik dat mijn vader niet zozeer gegrepen werd door de “roep van de zee” maar dat zijn stukgelezen Bounty-boek hem zijn leven lang heeft helpen dromen van een ongerept paradijselijk leven te midden van jonge inheemse meisjes in strooien rokjes aan wie de blanke missionaris de voordelen van een kuise maar beknellende bustehouder nog niet had weten aan te praten.

Ik besefte dat dit beduimelde boek mijn vader toeliet te ontsnappen aan de dagdagelijkse sleur, dat hij zo de saaiheid van zijn banaal kruideniersleven kon dragen en overstijgen.

Het boek was zijn ultieme reddingssloep…

En ik begreep: wie niet leest, leeft maar één enkel leven.

Later, in mijn studententijd, leerde ik bibliotheken vooral kennen als imposante grauwe gebouwen waar, op het eerste zicht, geen boek te bekennen was.

Wel stonden er enorme fichebakken, waarin op goed geluk moest worden gezocht naar hoogstaand drukwerk waaruit dan onbeschaamd kon worden geciteerd om aan een af te leveren universitairachtige thesis een schijn van wetenschappelijkheid te geven.

Na de zoektocht in de fichebakken schreef men de gewenste titels op een formuliertje, men drukte op een belletje en uit de duistere ingewanden van de bibliotheek verscheen dan een grijze stofjas, die, in functie van zijn humeur van de dag, na min of meer lange tijd, de gevraagde stoffige werken op de balie kwam deponeren.

De jaren tachtig, nog net voor de computer en het internet voor iedereen binnen handbereik kwamen, waren de hoogdagen van het bibliotheekwezen.

Elke stad en elk dorp kreeg zijn Cultuurcentrum en elk Cultuurcentrum zijn Openbare Bibliotheek. Met bijna in elke straat een plaatselijke uitleenpost.

De stedelijke bibliotheek werd dé plaats waar mijn kinderen op zoek gingen naar documentatie als ze op school een spreekbeurt moesten geven over “Mijn hamster” of, het jaar nadien, over “Mijn hamster”.

Maar de digitale evolutie was niet te stoppen. De kinderen van vandaag lepelen alles op van het scherm: van het televisiescherm, van het computerscherm, van het scherm van de tablet of de smartphone.

Vergeleken met de wondere wereld van het internet vinden ze boeken dikwijls “keisaai” en daar hebben ze soms eigenlijk wel gelijk in ook.

Een stapel woorden kan wat mager aandoen als je het vergelijkt met een blits computerspel waar je de meest wonderbaarlijke avonturen kan beleven door op een knopje te drukken.

Het kan onbegonnen werk lijken maar we zullen ons nageslacht moeten blijven overtuigen van het feit dat een boek helemaal geen banaal stapeltje woorden is, maar een regelrecht wonder, verpakt in een bundeltje papier.

We zullen hen moeten blijven voorhouden dat woorden evenzeer magische knopjes zijn die allerlei beelden, gevoelens, kleuren en geuren in het hoofd kunnen losweken.

Hen leren dat er al lezend een unieke wereld tevoorschijn kan worden getoverd, een wereld die zich moeiteloos vermengt met de eigen ervaringen.

Een wereld die je laat huilen of laat lachen, laat sidderen of intens genieten.

Mijn grootvader had één enkel boek en mijn vader had in feite ook maar één boek.

De vraag is of mijn achterkleinkinderen ooit zelfs nog maar één enkel boek in huis zullen hebben.

En zullen er, terwijl alom gesnoeid wordt in de beperkte middelen die aan cultuur worden toegewezen, binnen 25 jaar trouwens nog wel bibliotheken bestaan?

Of zullen die gewijde plaatsen, zoals eerder de platenwinkels en de videotheken, in hun huidige vorm onherroepelijk verdwijnen omdat alles thuis op het scherm, met een druk op de knop, als met een goddelijke vingerknip, vanop een verre server kan worden opgeroepen?

Wie dan leeft zal het antwoord weten.

rik tulkens

stadsdichter van Diest

(2012-2015)

Log in om reacties te plaatsen